is toegevoegd aan je favorieten.

Afscheidsrede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zongen. Daar is hier binnen een ziele, die zich nederbuigt in mij; maar daar is ook een stemme, welke tot die ziSie spreekt: Wat zijt gij zoo onrustig ? Hoop op God l Welkom is mij die stemme des troosters. Welkom zal zij ook sommigen uwer zijn. Komt, geven wij dan al aanstonds aan die stemme gehooï, en eer wij verder gaan , verheffen wij onze harten biddende tot God!

GEBED. TEKST.

II Mannes 8.

ziet toe vook u zelven , dat wij niet verliezen hetgeen wij gearbeid hebben , maar eenen vollen loon mogen ontvangen.

Zietdaar een eenvoudig, ernstig, hartelijk en toch niet hartstogtelijk woord. Juist een woord, gelijk ik thans behoefte had tot u te brengen. Ik ontleen het aan johaknes , den geliefden Jonger des Heeren, maar die nu, in des Heeren dienst vergrijsd, reeds (gelijk hij zichzelven in den aanhef van zijn schryven noemt) een ouderling, een oude van dagen, een Apostolische aartsvader geworden is. Als zulk een vader spreekt hij dan ook hier in zjjn schrijven tot de moeder van een Christelijk gezin, aan welks leden hij zich grootelijks verbonden gevoelt. En geen wonder! Immers schijnt hij aan de toebrenging van dat gezin tot de kennis en dienst van Jezus Christus niet weinig deel te hebben gehad. Daaruit toch wordt het mij verklaard, waarom hij niet, gelijk sommige Handschriften verkeerdelijk schijnen te lezen, aldus geschreven heeft: ziel toe dat gij niet verliest, wat gij gearbeid hebt, maar: dat wij, gij en ik, niet verliezen, wat wij, gij en ik, gearbeid heb-