Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschen, nooit eene belijdenis zal kunnen worden. De belijdenis der toekomst zal, volgens hem, vervat zijn in de volgende woorden: «ik geloof dat jezüs christus de Zoon Gods is.» (Bladz. 94 van den Tijdsp. 1846). Deze woorden bevatten niets anders dan de erkenning eener existentie of de erkenning van de verschijning eener existentie in de geschiedenis, waartoe men op den wijsgeerigen weg moet geraken, door het Zoonschap van jezus christus met redebewijzen te staven, en langs den geschiedkundigen, wanneer de getuigenissen daaromtrent waarachtig zijn bevonden. Maar de erkenning van het bestaan van iemand of iets, als zijnde eene bloote werking van het verstand, is geene belijdenis, waarmede men zich overgeeft en toewijdt aan de dienst van Hem, wiens naam men belijdt, en dit in onze taal zoo diep en innig uitdrukt door te zeggen: «ik geloof in jezus christus , den Zoon van God;» waarop alsdan de duidelijke verklaring moet volgen, welke behoeften die Zoon van God voor ons zondaren vervult, en welke verpligtingen daaruit voor ons voortvloeien.

Maar genoeg om ook hiervan het onjuiste te hebben doen inzien, en het, ten besluite, te mogen voegen bij de vorige resultaten. Op grond onzer overwegingen en beschouwingen meenen wij thans het regt te hebben, wanneer men de voordragt van da costa, als een teeken des tijds, waardig blijft keuren voor het publiek te worden gewogen, van onzen Referent of eenig ander beoordèelaar der derde reeks van voorlezingen die thans, door den spreker, onder ons gehouden worden. beter en degelijker werk te verwachten, dan hetgeen wij in deze bladen besproken. Allengs toch zien wij een leven versterven, onder welks invloed vooral het laatste verslag de duidelijke kenteeken draagt van gedacht en geschreven te zijn. De tijd daarvoor spoedt ten einde. Ook

Sluiten