is toegevoegd aan je favorieten.

Een middeneeuwer in onze dagen (Dr. A. Kuyper)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nederland en ons Amsterdam, die er den vrijen, veelkantigen, vruchtrijken arbeid van een Sarphati en een Wertheim door hadden moeten derven om van de minder grooten, gelijkgezinden te zwijgen, die naar Fotgieter's woord kunnen verklaren, dat ,,'s lands wel hun lust en 's lands roem hun leus is". De liefde tot zijn geboorteplek in ruimer en enger zin is iederen mensch ingeboren en het is de natuurlijke loop der dingen, dat eene in de staatkunde jaren lang voortgezette houding van menschelijkheid en welwillendheid, van de andere zijde volkomen onzelfzuchtige toewijding opwekt; doch wie met wantrouwen en uitsluitingszucht rondgaat, hem komt van rechtswege geringschatting en onverschilligheid toe. Het tweede ervaart Rusland tot zijn schade, het eerste gaat Duitschland voort tot zijn voordeel te ondervinden en Wimelm II blijft, tot openlijke ergernis der Duitsche clericalen, deze menschkundige staatsmanswijsheid helder inzien. Blijkens, bijvoorbeeld, zijn militaire order in Juli 1908 tot zijne generaals gericht, dat bij de keuze van officieren geen rekening mocht worden gehouden met de geloofsbelijdenis der aspiranten. Geheel in den geest van zijn vader, die in de rede bij zijne troonsbestijging den wensch te kennen gaf, al zijne onderdanen te beschermen en dit op grond — de herinnering was nog versch, ,,dat in dagen van gevaar allen hunne volle toewijding hebben betoond". Dit staan eener Regeering boven geloofsverschillen der onderdanen is hare moderne levensvoorwaarde. Dr. Kuyper daarentegen verklaarde bij de behandeling zijner onderwijswet, niet tevreden te zullen zijn, voor en aleer op 100 °/0 der Nederlandsche lagere scholen Christelijk onderwijs werd verstrekt. Dit is de Kuyper, met wien tijdgenoot en geschiedschrijver te rekenen hebben, niet met den huiselijken, die niet vergat op blz. 299 zich zelf met een enkel trekje te teekenen: „In onze beschaafde kringen is de Jood als onzer een, verkeert men met den Jood van gelijken stand op voet van volkomen gelijkheid en vindt vooral in zijn gezin steeds een gastvrij en aangenaam onthaal".

„Rusland zal niet Westersch worden". Met deze verzekering maakt Dr. Kuyper een einde aan zijn hoofdstuk over Rusland, steekt, met een zwierig-theatralen pas van zijn schrijverspodium stappend, zich zelf met onverstoorbaar aplomb een hart onder den riem. In deze inhoudlooze frase, (inhoudloos, want beduidt zij dat de Russische staatsinstellingen geen copie van de Westersche zullen worden, het ware een banaliteit,