is toegevoegd aan je favorieten.

De Dordtsche Synode en het supra-lapsarisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gomarus en de provincie van Zuid-Holland een uitzondering maakten, heeft de praeses God gedankt voor de hoogste eendrachtigheid van al de collegiën in dit leerstuk, en hij herinnerde er met ernst aan, dat er nu nog overbleef om uit deze verschillende oordeelen, na met elkander te znn vergeleken, het oordeel der synode te formuleeren. Hierop heeft Bogerman met de assessoren een ontwerp gereed gemaakt, en aan deze Commissie is later nog toegevoegd een tweetal buitenlandsche godgeleerden, en uit de Nederlandsche prof. Polyander, Waleus, en Triglandus. Den 16en April werd het concept in de Synode voorgelezen en dit is als art. 7 in onze Canones opgenomen. Duidelijker bewijs, dat de Synode infra-lapsarisch was, kan moeilijk worden gegeven.

Maar de vraag, die hier klemt, blijnnog altijd open, of de Synode het supra-standpunt heeft veroordeeld? Het is slechts de groote vraag, wat men onder „veroordeeld" verstaat. Leest men daarin, dat eerst een zelfde censuur moest worden toegepast, als op de Remonstranten, dan voorzeker is de Synode niet zoover gegaan. Maar wanneer men nu daarin leest, dat de Synode de zaak gelaten heeft, voor wat zij was, dan lijkt mjj dit een te gewaagde conclusie.

Waren er op de Synode van Dordrecht geen voorstellen geweest om de richting van het supra op te gaan, wij zouden geen recht van spreken hebben.

Maar vooreerst was er een voorstel van Gomarus. Deze gaf het volgende judicium der Synode in overweging: „De voorverordineering des menschen ter zaligheid is het besluit Gods van de heerlijkheid en de genade (die ter zaligheid genoegzaam is en dezelve ook krachtigljjk is werkende) te geven aan zekere menschen uit het gansche menschelüke geslacht naar Zijn allerwijst en genadig welbehagen tot lof Zijner heerlijke genade".

Uit dit voorstel van Gomarus blijkt, dat hu niet duidelijk wil onderscheiden hebben, of God den mensch in de verkiezing als gevallen of als niet gevallen aanmerkt. Zijn voorstel is zoo soepel mogelük en zou ongetwijfeld geen moeilijkheid b\j de Synode hebben ontmoet, als hier niet een principieel bezwaar achter stond.

Het is toch niet zonder beteekenis en geeft reeds dadelijk te denken, dat een viertal professoren met name Polyander, Thysius, Waleus, Lubbertus dit gevoelen van Gomarus niet wilden onderteekenen. Dit was reeds een indirecte veroordeeling van het standpunt van Gomarus. Maar nog klaarder treedt de houding der Synode aan den dag, als wij bedenken, dat er tevens een instructie