Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„den, der zu ihm gehort", als een rechtvaardige. „Er erhebt ihn in den Stand des Gerechtseins. Wie der königliche Ritterschlag den Bürger in den Adelstand erhebt, so erhebt der göttliche Spruch den Sünder in den Stand der Gerechtigkeit. Sein Wille setzt sich hinweg über das, was von uns aus unüberwindliche Wirklichkeit ist, er erklart es für nichtig." De rechtvaardigmaking is: dat Hij „der Sünde die Existenz abspricht." !)

Hoe geschiedt die rechtvaardigmaking ? God spreekt ons aan in het Woord, in Christus. De rechtvaardigmaking is niet los te maken van de objectieve verzoening ; ja zij is niets anders dan dat dit objectieve voor ons woord wordt, Gods woord. „Indem wir wissen : es ist Gott, der mich darin anspricht — dass Gott mich anspricht — glauben wir." Geloof is „das Erkennen dieses Geschehens als Gottes mich ansprechendes Wort."2) Eerst in dit subjectieve, in het geloof, wordt de verzoening werkelijk.

Dit geloof ontstaat in verband met de H. Schrift.

Dat de inspiratie der Schrift door Brunner verworpen wordt, is reeds gebleken. De Schrift is voor hem niet Gods Woord ; ook de stelling : Gods woord is in de Schrift, is niet de zijne. „Man hat um dem modernen Empfinden naher zu kommen etwa die Antithesen aufgestellt: nicht die Schrift, sondern in der Schrift ist Gottes Wort. Dieser Satz könnte wohl richtig sein ; aber so wie er beinahe immer gemeint ist, ist er falsch." 3) De H. Schrift is menschelijk getuigenis. Zij is vol van "dwalingen, van tegenstrijdigheden, van legenden. En hij brengt tegen de leer der inspiratie ook dit bezwaar in, dat men door haar de autoriteit der Schrift „verdinglicht" en de „Glaubens-entscheidung" uitgeschakeld heeft.

Maar is de Schrift menscheüjk getuigenis, zij is getuigenis omtrent het Woord, omtrent Christus, en op dit getuigenis

Mittler, bl. 474. s) Mittler, bl. 475. 3) Religionsphil., bl. 28.

Sluiten