is toegevoegd aan je favorieten.

De grondslagen van den eigendom bij het licht van de eerste vijf boeken der Heilige Schrift

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet alleen. Ook de aard van het gebruik van het goed leiden de eerste vijf boeken der Schrift af van een uitdrukkelijke ordinantie Gods. Zoo bepaalt God zelf in Gen. 1:29v., wat de mensch (het zaadzaaiend kruid en de zaadzaaiende boomvrucht), en wat de dieren (het groene kruid) van de vruchten der aarde tot spijs zouden mogen gebruiken. In Gen. 2:16v. worden den mensch daartoe vooral de boomvruchten aangewezen. En ook na den val is het God zelf, Die het gebruik van de vruchten der aarde regelt. Nu zal het brood de hoofdspijze des menschen worden (Gen. 3:19 v.). En vooral is hier Gen. 9:3,4 van belang. Het gebruik van vleesch en van het groene kruid tot spijze wordt ook hier weder bij uitdrukkelijk goddelijke ordinantie ingesteld, terwijl het bloed daarvan door een gelijke ordinantie uitgezonderd blijft.

Hebben we tot dusver den eigendom nog slechts in zijn geheel beschouwd en daarbij den eigendom in de eerste vijf boeken der Heilige Schrift leeren kennen, als een na den zondeval in het menschelijk leven opgekomen recht, om op grond van toeëigening of produceerenden arbeid, in afhankelijkheid van den volstrekten eigendom Gods, over de goederen dezer aarde heerschappij te oefenen, wij gaan nu dezen eigendom ook in zijne onderscheidene bestanddeelen ontleden en vestigen daarbij het eerst onze aandacht op het goed, als het voorwerp van den eigendom. Bij onderzoek blijkt dan, dat de gewone rechtsopvatting, dat de ! eigendom alleen over „lichamelijke zaken" gaat,1) ook uit de | eerste vijf boeken der Heilige Schrift steun ontvangt. De heerschappij, welke den mensch in Gen. 1:28 en daarna nogmaals in Gen. 9:1 v. wordt toebetrouwd, gaat over de aarde

0 Vgl. C. Asser, Handleiding Burgerlijk recht bladz. 26, 54, 102 („Het voorwerp van eigendom is altijd eene lichamelijke zaak.")