Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koloniën, dan hebben we toch het recht, neen den plicht, om in te grijpen, en het Javaansche kind te brengen uit die zoozeer verdorven omgeving? Hoe is het mogelijk,dat men zelf kinderen heeft en dan nooit eens gaat zien in de kamers der contractanten. Waar zulks schromelijk veronachtzaamd wordt, daar moeten wij, als buitenstaanders, ons ontfermen over die diep rampzalige jeugd.

Spr. eindigt tenslotte met er op te wijzen, dat de Broedergemeente bij al deze nieuwe nooden, waarvoor de oude methoden niet meer deugen, toch nog ouderwetsch gebleven is in één punt: namelijk, dat zij de leus van Zinzendorf nog immer blijft voeren: ik heb maar één passie, en dat is Hij!

Diep was de ontroering die zich van aller hart meester maakte bij het hooren van dit zoo door en door geestelijk woord van dezen man Gods.

Ds. Ferguson, Jeugdpredikant te Den Haag, die het sluitingswoord moest spreken, zei dan ook, dat hij na dit diep ernstig woord van Br. Bielke het liefst maar stil weg zou gaan zonder het afscheidswoord te spreken.

Laten wij, zegt spr., ons maar heel diep verootmoedigen voor God, en Hem smeeken om ons Zijne genade te willen schenken. Wat zegt God nu tot ons na deze conferentie? „Laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen, dat zij uw goede werken mogen zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken." Dat zegt God door Jezus Christus ook tot ons. Wat een voorrecht! Waar hebben we het aan te danken? Daaraan, dat wij in een Christelijke omgeving zijn opgevoed, Christelijke ouders hebben gehad. Als we eigen leven nagaan, dan zeggen we: „'t is een wonder!" En nu moeten we het licht laten schijnen. Dat mogen we, vrij en frank, zonder eenig vertoon, 't Licht in deze vreeselijke, donkere wereld. Hier in dezen beschaafden kring van Christenen gevoelen we 't niet, hoe ontzettend 't in de wereld toch is. Doch als we in de groote steden komen, daar waarde vloek klinkt, en de klacht klaagt, en de wanhoop ten hemel schreit, dan gevoelen we 't, hoe donker de wereld is. En nu mogen we in die wereld 't licht laten schijnen, zóó, dat de menschen 't zien en opmerken, zóó, dat ze er God door gaan verheerlijken! Wat haalt in waarde bij deze wetenschap: „dat de menschen door mij God gaan verheerlijken ? Dat ze God gaan danken, dat ik er ben, in hun leven ben ingetreden?" Welk een voorrecht is 't om uit een brief te mogen lezen, uit een

Sluiten