Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden van de Kerk door de wereld, als wel om het besturen, het dulden van de wereld door de Kerk, is deze levensvraag aan de orde, en mede hare behandeling maakt het leven en de geschriften van AUGUSTINUS zoo belangrijk. Deze man is representatief voor zijn tijd. Eenerzijds kent hij nog bij ervaring het bederf en de bekoring der heidensche cultuur: de opvoeding zonder zedelijke tucht; het geleerde onderwijs met zijne rhetorische leerstof; het maatschappelijke leven met den vloek der slavernij; den staat, die de vergoding is van den mensch; de kunst als de uitbeelding der mythologische wereld. Anderzijds leeft hij in en voor de Christelijke Kerk, de belichaming op aarde van de Stad Gods, de eeuwige, waarvan AUGUSTINUS met zooveel verzekerdheid het beeld ontwerpt tegenover de aardsche stad, die door het klassieke Rome wordt gesymboliseerd. De tegenstelling schijnt volkomen : „de eene stad bevat hen, die leven naar het vleesch, de andere hen, die leven naar den geest. Hier wordt de liefde jegens zich zeiven gedreven tot aan de verachting van God, daar gaat de liefde jegens God tot aan de verachting van zich zeiven. De eerste is de aardsche stad, welker meest verheven schepping Rome was, die in zich zelve roemt en eer zoekt bij de menschen — de tweede is de hemelsche stad, welker grootste roem God, en welker getuigenis het geweten is. De stad Rome beheerscht^ de lichamen en ging te gronde door de ondeugden van haar volk, maar deze stad regeert de geesten en leeft door de deugden harer burgers, de heiligen Gods". AUGUSTINUS laat zich dikwijls zéér forsch uit over de heidensche cultuur. Het zijn niet alleen de materialisten, die hij veracht, omdat zij den geest loochenen, maar eveneens de d.g. spiritualisten, de neo-Platonische wijsgeeren, die zijn honger naar werkelijkheid met een schijn van woorden zouden willen verzadigen. Plato heeft hij lief om zijne leer van de ideeën en den Logos, maar hij vindt beider werkelijkheid slechts in het vleeschgeworden Woord, dat eene menschelijke bestaanswijze aanneemt om den mensch meer nabij te komen, dat de ellende der menschheid aanvaardt om haar te troosten. Deze kennis van een armen, nederigen, vervolgden God had de oudheid hem niet kunnen schenken. „Gij hebt haar" — zoo zegt hij in zijne Confessiones tot God — „voor de wijzen verborgen en aan de eenvoudigen geopenbaard, opdat de vermoeiden en de be-

Sluiten