is toegevoegd aan uw favorieten.

Salomo's Hooglied voor de gemeente bewerkt

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men, met melk gewasschen, staande als in kasjes der ringen, 12. Zijne wangen zijn als een bed van specerijen, als torens van reukwerk, zijne lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre, 13. Zijne handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois; zijn buik is als blinkend elpenbeen, overtogen met saffieren, 14. Zijne schenkelen zijn marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud; zijne gestalte is als de Libanon, uitgelezen als de cederen, 15. Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan hem is, is gansch begeerlijk. Zulk een is mijn liefste, ja zulk een is mijn vriend, gij dochters van Jeruzalem! 16.

De jonkvrouwen verwonderden zich over den gloed van Sulammiths liefde. Sulammith bemint haren geliefde zoo vurig, dat het schijnt als ware geen ander minnaar met hem te vergelijken. Er zijn toch wel meer beminnenswaardige jongelingen; zal men dan om éénen krank van liefde worden ? Wie is het, die waardig is dat de schoonste der vrouwen, dat Sulammith hare zusteren bezweert om haren geliefde te zeggen, dat zij hem niet meer missen kan? Dat toch deed zij. Zij heeft hare zusteren onder eed verbonden om aan haar verzoek te voldoen; vloek over de dochteren Jeruzalems als zij het hare niet doen om den geliefde te zeggen, dat hare liefde tot hem niet verkoeld is, al scheen dit zoo te zijn, wijl zij hem de deur niet terstond opende! Wat is uw liefste meer dan een ander liefste, dat gij ons zoo bezworen hebt ? Het is waarlijk niet bevreemdend