Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sulammith vraagt een ver van haar verwijderden geliefde haar te laten weten waar hij is.

1 : 7. Zeg mij aan, gij dien mijne ziel liefheeft, waar gij weidt, waar gij de kudde legert op den middag; want waarom zoude ik zijn als eene die zich bedekt bij de kudden uwer metgezellen?

De vrouwen antwoorden Sulammith.

1 : 8. Indien gij 't niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen! zoo ga uit op de voetstappen der schapen, en weid uwe geiten bij de woningen der herders.

Salomo treedt op en spreekt Sulammith aan; hij tracht haar door beloften voor zich te winnen.

1 : 9—11. Mijne vriendin, ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Farao. Uwe wangen zijn liefelijk in de spangen, uw hals in de parelsnoeren. Wij zullen u gouden spangen maken met zilveren stipjes.

Sulammith hoort naar Salomo niet, maar begint haren liefste te prijzen.

1 : 12—14. Terwijl de Koning aan zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus haren reuk. Mijn liefste is mij een bundeltje mirre dat tusschen mijne borsten vernacht. Mijn liefste is mij een tros van cyprus in de wijngaarden van Engédi.

Salomo prijst Sulammith's schoonheid.

1 : 15. Zie, gij zijt schoon, mijne vriendin, zie, gij zijt schoon, uwe oogen zijn duivenoogen.

Sulammith tot haren afwezigen geliefde.

1 : 16—17. Zie, gij zijt schoon, mijn liefste, ja liefelijk; ook groent onze bedstede. De balken onzer huizen zijn cederen, onze galerijen zijn cypressen.

Sulammith spreekt over zichzelve.

2:1. Ik ben een roos van Saron, een lelie der dalen.

Sluiten