Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tegenover het wijdverbreide en veldwinnend agnosticisme houdt de Christelijke kerk de belijdenis staande, dat God een licht is en er gansch geene duisternis in Hem is; dat Hij de volstrekte waarheid en heiligheid is; zichzelven kent en de diepten van zijn eigen wezen onderzoekt. Alwat Hij in schepping en herschepping tot stand brengt, geschiedt daarom overeenkomstig zijn raad, met bewustheid en vrijheid. Alle dingen zijn gemaakt door datzelfde eeuwige Woord, dat in Christus vleesch geworden is en ons den Vader verklaart. Omdat God zichzelven kent, kan Hij zich doen kennen in en door zijne schepselen. Zijne openbaring bestaat niet uitsluitend maar toch óók in mededeeling van gedachten, in bekendmaking van zijn raad en wil. Uit de schepselen worden zijne onzienlijke dingen, beide zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid, verstaan en doorzien. In Christus is de naam en het wezen, zijn de deugden en werken Gods ons geopenbaard. En met die openbaring bedoelt God ook, dat wij Hem kennen zouden en liefhebben met het verstand.

Langen tijd gold wel de meening, dat in de religie de leer onverschillig en het leven alles was. Maar de onwaarheid dezer stelling is van alle zijden in het helderst licht gesteld. Hoofd en hart, verstand en wil, kennis en leven zijn door geen klove van elkander gescheiden. Ken-

Sluiten