Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot hun ambt, de taak opgedragen, om in de wereld als zijne getuigen op te treden, alle volken tot zijne discipelen te maken en hen het onderhouden van zijne geboden te leeren, Mt. 28 : 19, Luk. 24 : 47, 48, Joh. 15 :27,20 ï 21—23, Hand. 1 : 8. Het apostolaat is het algemeene leerambt der gansche Christenheid.

Maar de twaalven waren lang niet de eenigen, die reeds in dien eersten tijd belast waren met het onderwijzen der waarheid, welke naar de godzaligheid is. Hoewel het twaalftal een afgesloten kring vormde, werd de naam van apostel toch van stonden aan in ruimer kring gebezigd en, naast dien van evangelisten, Hand. 21 : 8, Ef. 4 : 11, 2 Tim. 4 : 5, ook op vele anderen toegepast. In 1 Cor. 15 : 5 en 7 maakt Paulus duidelijk onderscheid tusschen de twaalven en alle de apostelen, aan wie Jezus na zijne opstanding verscheen. Elders kent hij aan Apollos, Barnabas, Jacobus, de broeders des Heeren, Silvanus Timotheus e. a. den naam van apostelen toe, Rom. 16 : 7, 1 Cor. 4 : 6, 9, 9 : 5, 6, Gal. 1 : 19, 1 Thess. 2:6. En bovenal rekent hij zichzelf tot de apostelen, die tot dit ambt niet door menschen maar rechtstreeks door den Heere Jezus zeiven geroepen werd, Gal. 1 : 1, die in al de voorrechten der andere apostelen deelde en volkomen met hen gelijk stond, 1 Cor. 9 : 1, 2 Cor. 11 : 22, 12 : 12 enz. Zonder twijfel volgde Paulus hierin een spraakgebruik, dat in de Jeruzalemsche gemeente zelve inheemsch was, Hand. 14 : 14. Immers waren er onder degenen, die Paulus in zijn ambt en werk tegenstonden, zulken, die met aanbevelingsbrieven uit Jeruzalem kwamen, 2 Cor. 3 : 1, en den naam van apostelen droegen, maar door hem als valsche apostelen tentoongesteld en bestreden werden, 2 Cor. 11 : 12—15, verg. Op. 2 : 2. Al deze mannen buiten het twaalf-

Sluiten