is toegevoegd aan uw favorieten.

Onze kranken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van zijn dak schuift en wegzendt, (misschien slapen ze daarom in vele huizen vlak onder de pannen !)

Die ons dagelijks dienen, mogen, als ze hulp behoeven, niet aanstonds weggezonden, door ze naar woonplaats of ziekenhuis te verwijzen, en 't contract te verbreken door terstond eene andere te huren. Arme ouders, die met moeite hun kinderen groot kregen, en ze wat leerden, om in dienst te gaan, en die hun niet eens 't noodige aan versterking kunnen geven, blijven er dan mee tobben, soms maandenlang, waar, bij enkele dagen rust of geneeskundige behandeling en verzorging in 't gezin waar zij dienden, de krankheid soms veel spoediger geweken zou zijn ! 't Vervoer is toch altijd min of meer gevaarlijk, maar nog harder valt hun het kwijt zijn van den dienst, 'tls waar ! eene zieke meid is een last, maar legt God dien niet op ? mag men zich er maar haastig afmaken ? en kan God er geen zegen door werken voor 't gezin ? blijft er geen verantwoordelijkheid en kunnen er geen banden door gelegd en versterkt worden ? De hoofdman te Kapernaum (Luc. VII) staat ons in Gods Woord geteekend als een exempel van door God gewilde liefdeszorg over onze kranke dienstbaren. Kan, als moeder of dochters niet tijdelijk kunnen inspringen voor sommige bezigheden, geen noodhulp voor daags alleen gevraagd ? Als zoo de dagtaak door kan gaan, behoeft de dienst niet aanstonds opgezegd. En zou er niet een eeretaak inliggen (want zelfverloochenende liefde is eere!) als huisvrouw of dochters in het dan allicht beter verzorgd meidenkamertje een steekje naaiwerk kwamen doen, om zoo tevens hulp en vriendelijkheid te bewijzen ?

Ook de huisvader dient in't openlijk gebed der kranke dienstbode te gedenken, en alzoo moet getoond, dat deze tijdelijke ongelegenheid niet zelfzuchtig maakt, doch ieder indachtig doet zijn, hoe onder Christenen de koninklijke wet der liefde heerscht, die niet maar toewijding vraagt, maar ook geeft.

Wij handhaven dus ten volle de roeping die elk, dien God een plaats gaf in 't huisgezin, heeft ten aanzien der kranken in dat gezin. Niet toevallig of willekeurig, maar geestelijk opzettelijk staan die verhalen, die wij aanhaalden, in Gods getuigenis opgeteekend en voor ons bewaard.

Maar juist in dit verband krijgt onze „Verpleegster-school" be-