is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuw-Gereformeerde en moderne theologie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Neen, de zaak is: dat de Moderne Theologie eerder en cons'ekwenter met den „Neubau", waarvan prof. Bavinck spreekt, is begonnen dan de N. Gereformeerden, die thans' ook de moderne, organische wereldbeschouwing hebben aanvaard en aan het ombouwen zijn gegaan. Of zij daarin beter zijn geslaagd dan hunne moderne voorgangers ?

Laat ons zien.

II

Wanneer prof. Bavinck heeft gesproken over de Christentheologen en -philosophen die wel degelijk besef hadden van de natuur en hare ordinantiën, van de absolute verhevenheid Gods en van zijne tegenwoordigheid en werking in al het geschapene — en in weerwil daarvan hebben geloofd aan de wondere kracht van Gods genade, dan laat hij eene hoogst belangrijke bladzijde volgen, die ik u voorlees (bl. 32 vv.).

Den grond voor dat geloof ontleenden zij en kunnen ook wij heden ten' dage niet anders ontleenen dan aan zulk eene openbaring, die van de algemeene onderscheiden is en een bijzonder karakter draagt. Dat onderscheid ligt ook wel, doch niet allereerst en allermeest in de wijze, waarop de eene en de andere tot ons kwam, in den natuurlijken of den bovennatuurlijken weg, waarlangs God ze tot ons bracht, maar het .s voor alle dingen gelegen in den inhoud, welke bij de eene en andere in wezen verschilt. De algemeene openbaring, die in de natuur, in de geschiedenis, in ons eigen hart en geweten tot ons komt, geeft ons wel eenig besef van de goedheid Gods, doch evenzeer en in nog sterker mate van zijn gerechtigheid en toorn, van zijne onvergelijkelijke grootheid en majesteit of naar het woord van Paulus van zijne eeuwige kracht en goddelijkheid. De dichters en wijsgeeren prediken het heden ten dage zoo luide mogelijk: het leven is voor enkelen misschien iets aangenaams, voor verreweg de meesten is het moeite en verdriet, ellende en leed. De wetenschap van natuur en geschiedenis verandert hier weinig aan; zij moge de kennis vermeerderen en de omstandigheden des levens verbeteren, maar zij kan ons geene verzekering geven van de liefde Gods; de schepping predikt geen liefdenjk God. Evenmin worden wij daarvan door het getuigenis onzer consc.entie of de ervaringen van ons hart overtuigd; want zoolang beide uit de algemeene openbaring leven, staan zij veel meer beschuldigend dan ontschuldigend tegenover ons en hebben zelve verzoening van noode. De noodzakelijkheid eener bijzondere openbaring wordt negatief nergens sterker door bewezen dan door het sprekende feit, dat allen, d.e haar ontkennen en met den inhoud der openbaring in natuur en geschiedenis zich moeten tevreden