is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Plakkaat van Verlatinge

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bekleede maatschappelijke eenheden, ontleenden zij de bevoegdheid zich te beschouwen als de representanten van het geheele volk.

Het behoeft niet te verwonderen, dat tusschen den vorst en de Staten zich een strijd ging ontwikkelen over de suprematie. Een belangrijke phase in dezen strijd vormt de tyrannenleer der 16e eeuw.

De tegenstelling van vorst en tyran vinden we reeds in de Oudheid, doch vooral in de Middeleeuwen gaat deze tegenstelling een belangrijke rol spelen.

Reeds bij Augustinus in zijn beroemd werk De civitate Dei wordt de rex iustus, de rechtvaardige vorst, gesteld tegenover den rex iniquus, den tyran. Een rechtvaardig vorst is hij, die in liefdevolle zorg voor zijn onderdanen en in gerechtigheid zijn gezag uitoefent; voor hem is heerschen inderdaad dienen. Doch ook de tyran moet gehoorzaamd worden, tenzij hij iets beveelt, wat God verbiedt. In dit geval is passief verzet geboden, doch ook niet meer. In den theocentrischen, spiritueelen gedachtengang van Augustinus past geen recht van opstand. Hij maant veeleer de onderdanen aan tot lijdzaamheid en onderwerping. Voor den rechtvaardige is een slechte overheid een proef voor zijn deugd en God zal hem daarvoor loonen x). Augustinus rechtvaardigt hier de houding, die de Christenen der eerste eeuwen tegenover den Romeinschen keizer innamen.

Voortbouwend op Augustinus' leer der lex aeterna en der lex naturalis ontwikkelt Thomas van Aquino met zijn systematischen geest een meer afgeronde staatsleer op rationeelen grondslag. Zijn beschouwingen over de tyrannie wijken wel sterk af van die van Augustinus. De staatkundige omstandigheden zijn dan ook heel anders geworden. Beiden, Augustinus en Thomas, geven in hun tyrannenleer ten slotte een rechtvaardiging van den bestaanden toestand van hun tijd. De vorst, aldus Thomas, die niet het algemeen welzijn doch zijn eigen belangen bevordert, is een tyran. „Regimen tyrannicum non est iustum, quianon ordinatur ad bonum commune, sed ad bonum privatum regentis"2). De verstoring van zulk een regeering is geen oproer, indien althans het welzijn der gemeenschap niet meer geschaad wordt door de uit deze verstoring voortspruitende wanorde dan door de regeering van den

') De civitate Dei IV. 3.

') Summa 2. 2, qu. 42, art. 2.