is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Plakkaat van Verlatinge

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van meer daadwerkelijke beteekenis voor de staatkunde der zestiende eeuw was de staatsleer der Reformatoren. In verband met het probleem, dat ons thans bezighoudt, verdient vooral de staatsleer van Calvijn nadere aandacht1).

Voor Calvijn komt niet slechts het gezag uit God, doch is ook de gezagsdrager zelf door God aangewezen. Het menschelijk gezag is slechts een werktuig van God. Ook aan den tyran, zelfs al is hij een diable encharné en un ennemi déclaré de Dieu, moet eer betuigd worden, want ook hij is een lieutenant de Dieu. Met de middeleeuwsche volkssouvereiniteitsgedachte wordt dus totaal gebroken. In Calvijn's staatsleer heeft het volk slechts een plaats als instrument in handen van God. Wel is echter de vorst er om de onderdanen en niet de onderdanen om den vorst; de vorst heeft tot plicht de gemeenschap in stand te houden en het algemeen welzijn te bevorderen. Vorst en volk hebben als Gods instrumenten wederkeerige plichten, maar het zijn plichten jegens God. De rechtsverhouding, zooals die zich uit in het traditioneele middeleeuwscheHerrschaftsvertrag, ontbreekt hier. Er blijft een antinomie bestaan tusschen vorst en volk. Het volk is gehoorzaamheid verschuldigd aan den vorst, maar in de eerste plaats aan God. Indien door vorstelijk bevel de rechten van God in het gedrang komen, mogen de onderdanen aan zulk een bevel niet gehoorzamen. Zij moeten echter de straf, die hiervan het gevolg is, lijdelijk ondergaan of zich door vlucht aan deze straf onttrekken. Wel zijn er in het Oude Testament voorbeelden van private personen, die openlijk tegen den vorst zijn opgetreden, maar dit optreden berustte op een bijzondere roeping van God. Behoudens in zulk een uitzonderingsgeval behoort het recht om zich openlijk tegen den vorst te verzetten uitsluitend aan de magistratus inferiores, de standen, wier positie gelijk is te stellen aan de ephoren in Sparta, de tribuni plebis in Rome en de demiarchen in Athene. Deze taak is hun niet door het volk opgedragen; zij ontleenen deze roeping rechtstreeks aan God, zooals de vorst ook aan God zijn rechten ontleent en het volk zijn vrijheden.

Hun recht, tevens plicht om zich tegen den vorst te verzetten, is niet beperkt tot het geval, dat deze zich tegen God keert; behalve om religieuze motieven is ook om staatkundige redenen verzet

1) Voor de Staatsleer van Calvijn zie vooral Mr. A. J. M. Cornelissen, Calvijn en Rousseau (diss. Nijmegen 1931).