is toegevoegd aan uw favorieten.

Vaderlandsliefde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem altijd weer tot zich trekt en hij, ook elders gevestigd, de Friesc'ne taal nog lang in het gezin blijft gebruiken. Maar wie hier een element van vaderlandsliefde ziet, doet even verkeerd als de Haagsche bakker F. Mol in zijn niet-socialistischen tijd deed, toen hij, een bezoek aan Troelstra brengend en aan diens huisdeur door den jongen jelle ontvangen met de mededeeling dat hij eens zou kijken of „heit" thuis was, later triomfeerend schreef dat de provinciaal-patriottische natuur het zelfs in de woning van den leider der S. D. A. P. toch nog gewonnen had van de leer van het wereldburgerschap. Immers voor den Fries, om ons tot dezen te bepalen, is, in zuiverder gevoel, het „heitelan" niet Nederland, maar zijn provincie. En verre van dat het geoorloofd zou zijn, uit de liefde voor de geboorteplek tot de liefde voor het vaderland te concludeeren, vormt integendeel die liefde tot de speciale geboorteplek een belemmering voor een werkelijke, niet-conventioneele, zuiver-gevoelde vaderlandsliefde. Wat is den Zeeuw Utrecht, dat, naar de woorden van het ambtelijk gestempelde, maar gelukkig nooit populair geworden „volkslied", toch behoort tot „de plek waar eens zijn wieg op stond"? Ja, sterker, wat is den Haarlemmer Purmerend of Blarikum ? En nog sterker: wat is den Amsterdamschen Kattenburger de Leidsche Buurt of het Staatslieden-kwartier? Hij kent ze niet eens, zoolang hij er niet, om werk te zoeken, heeft moeten rondzwerven; en dan is hij niet in een geestesgesteldheid, om er liefde voor te gaan gevoelen.

Neen, met dien „hartstocht voor onzen geboortegrond", als factor in de poging om de zoo gaarne als instinctmatig mystisch gevoel voorgestelde vaderlandsliefde te verklaren, komen wij er niet.

De taal dan?

Voor den schrijver ligt hier een terrein, waarop maar al te zeer de verleiding dreigt, om zijn eigene gevoelens te veralgemeenen tot de gevoelens van gansch het volk. Voor den schrijver is de taal zijn werktuig. Zou hij haar niet liefhebben, al is zij hem, door eigen onbedrevenheid, al te vaak een weerbarstig werktuig? Maar hoevelen zijn er niet, voor wie, om met albert Verwey te spreken, de taal slechts „dient om je neus in te snuiten", die, om het anders uit te drukken, van iedere hoogere cultuur afgesloten, hetzij door eigen gemis aan aanleg, hetzij door hun gewelddadig onthouden beschaving, voor geen liefde tot de moeder-