is toegevoegd aan uw favorieten.

Hoofdlijnen der paedagogiek van Dr. Herman Bavinck, met critische beschouwing

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is „het woord van den hoogleeraar voor de studenten de bron van hun kennis." En de onderwijzers hebben zelf hun kennis, ook van de natuur, uit boeken opgedaan. En als zij van die kennis wat aan de kinderen meedeelen, dan mogen zij voorwerpen of afbeeldingen ter toelichting gebruiken, maar niet daaruit leiden de kinderen hun kennis af, maar uit het woord van den onderwijzer. Het woord is de hoofdzaak, het voornaamste middel van onderwijs, de eigenlijke bron van kennis voor de leerlingen in alle vakken.

Daarom is ook de voorstelling onjuist, dat men het kind niets mag laten leeren, dan wat het verstaat. Juist in de schooljaren ontwikkelt zich het geheugen en ontvangt zijn grootste sterkte. Later komt dan het oordeel, dat nu in het geheugen een materiaal bezit, waarmee het arbeiden kan, dat aan de opgenomen stof zich oefenen, deze ontleden, zuiveren, verwerken kan. Zoo deed men het vroeger, en de historie bewijst niet, dat ons voorgeslacht in oordeel bij het tegenwoordige achterstond. En ongetwijfeld stonden ze hoog boven ons in karaktersterkte en wiilkskracht, hetgeen daaruit voortsproot, dat in den jeugdigen leeftijd klare, heldere beseffen van godsdienst en zedelijkheid in de kinderziel werden ingeprent.

Onze vaderen hadden er volstrekt geen bezwaar in, om de kinderen teksten, psalmverzen, bijbelsche geschiedenis, catechismus te laten leeren. En wil men nu van ervaring spreken, de ervaring leert, dat er niets is, waarvan men in het later leven meer sterkte en troost ontvangt, dan van het op jeugdigen leeftijd ontvangen onderwijs in de religie.

„Wanneer de moderne paedagogiek deze tastbare werkelijkheid, dit onloochenbaar feit, in het aangezicht wederspreekt, dan komt onwillekeurig het vermoeden op, dat er achter haar verzet tegen den godsdienst en het dogma op de school iets anders schuilt." Omdat men den godsdienst niet wil, wil men ook het onderwijs daarin niet, en bewijst daardoor juist de vruchtbaarheid' van het onderwijs in de religie, waarvoor men vreest.

„Daarom vragen wij voor den Bijbel, voor de Christelijke religie, voor het dogma op onze scholen een eereplaats". Het woord dogma behoeft niet af te schrikken, als men weet wat