is toegevoegd aan uw favorieten.

Memorie van consideratiën, ten dienste van het Provinciaal kerkbestuur van Noord-Holland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Memorie onderzoekt dan de nieuwe artikelen 41 tot 44. Opmerkelijk echter is liet, dat bij de critiek, waaraan zij onderworpen worden, nooit de proef gewaagd wordt om aan te toonen, dat zij met eenig artikel van liet kerkelijk wetboek strijden, maar alles daarop nederkomt_ ,dat zij liet helderste licht werpen op de gemaakte plannen."

In de brochure van Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, Waar is het misdrijf der geschorsten? waarheen wij als door ons overgeegd verwijzen, is duidelijk uiteengezet, dat de wijzigingen van 1885, juist wat de art. 41 — 44 betreft, in geest en strekking van die van 1875 niet verschillen, en het Provinciaal Kerkbestuur heeft dat gelvoelen beaamd. Toen toch de bijzondere omstandigheden zich hadden voorgedaan, waarin het meende te moeten doen wat des Classikalen bestuurs is, heeft het overwogen „dat, het Kerkeraads-besluit tot de aangebrachte vastgestelde wijzigingen in het Reglement van 1885 door het Classikaal bestuur zijnde vernietigd, deze vernietiging illusoir zou worden gemaakt, indien de bepalingen, die tol grondslag van deze wijzigingen hebben gediend, in het Algemeen reglement van 1875 kracht van wet bleven behouden." Doch wat volgt hieruit? Dat de schuld, die het op ons laadt, op het Classikaal bestuur dat zich tot vernietiu-in»-

A A O O

van dergelijke besluiten ambtshalve geroepen acht terugvalt. Het kende, blijkens de daarover gevoerde briefwisseling, die wijzigingen volkomen. Het verzuimde dus zijn plicht, door op de Kerkeraadsleden, die het besluit van den 12Jen April 1875 genomen hadden, geene tuchtmiddelen toe te passen en evenmin dat besluit te vernietigen. Het hield daardoor de Kerkeraadsleden van 14 December 1885 in den waan, dat hunne voorgangers een weg bewandeld hadden dien zij zonder bezwaar konden volgen. Het kastijdt de verdoolde schapen, van wier afdwaling het zelf de oorzaak was door zijne jarenlange veronachtzaming van herderlijke zorg. Het Provinciaal Kerkbestuur zal er immers op letten, dat de tegenstemmers in 1885 metterdaad de bepalingen van 1875 handhaafden en bevestigden. Zijn dus de makers dier bepalingen noch provisioneele schorsing noch voordracht tot ontzetting uit hunne kerkelijke bedieningen en ambten waardig gekeurd, het werd nieten met twee maten, dit den voorstemmers van 14 December wel aan te doen.

Dat alles ware het geval, indien werkelijk die wijzigingen van 1875 ol 1885 verkeerdheden bevatten. Doch deden zij dit? „De Algemeene Kerkeraad pro tempore droeg aan zijne Commissie op," zegt de Memorie, »om hemzelven niet alleen, maar ook den Bijzonderen Kerkeraad in elk geval te erkennen als den eenig wettigen, den getrouwen, den Gereformeerden Kerkeraad." Ongetwijfeld hield de Kerkeraad van 14 December zichzelveu voor dat alles; aan zijne wettigheid twijfelde niemand; van