is toegevoegd aan uw favorieten.

Memorie van consideratiën, ten dienste van het Provinciaal kerkbestuur van Noord-Holland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kerkeraad is het, in wiens handen de Burgemeester van Amsterdam aan de gemeente de tien kerkgebouwen en verdere goederen en fondsen als haar partikulier eigendom overgaf. Yoor het geval nu, dat de rechter zou hebben uit te maken, wie van de twee litigeerende colleges de ware Kerkeraad was, werd de Commissie, in afwachting dier beslissing, gemachtigd alles te houden in statu quo. De tegenwerping, dat hierdoor „de Commissie gesteld werd in de plaats van haren lastgever, den Kerkeraad," is kennelijk valsch; het mandaat der Commissie onderging inmiddels geene verandering, maar de lastgever was tijdelijk in incerto.

Allervreemdst zijn ook de voorstellingen, die het Classikaal bestuur zich maakt van de bevoegdheid van stemgerechtigden in zake het beheer van het Kerkegoed. Immers volgens de Reglementen van het algemeen genootschap hebben de stemgerechtigden daaromtrent hoegenaamd geene bevoegdheid. De Amsterdamsclie Kerkeraad in 1869 wegens het te nemen besluit met zijne kiezers raad plegende deed niets ongeoorloofds, doch handelde op eigen gezag. De kerkelijke verordeningen raken het onderwerp niet aan. Indien dus eene soortgelijke stemming plaais heeft, kan geen ander lichaam dan de Kerkeraad de lijst van stemgerechtigden vaststellen en oproeping van deze, zoo noodig, door de Commissie, is, 0111 dezelfde reden, nergens verboden.

„Allerzonderlingst," zegt het Classicaal bestuur, „is de onwaarheid van art. 44: „de uitvoering van het bepaalde in art. 41, 42 en 43 kan nooit het gevolg hebben, dat eenig lid der Commissie persoonlijk aansprakelijk gesteld worde voor de uitgaven of onkosten, die hij als gemachtigde of mandataris der Commissie gedaan of gemaakt heeft. Zoodanige geldelijke aansprakelijkheid regelt niet het kerkelijk maar het burgerlijk wetboek. Met welke bepaling van het B. W. is dit art. 44 in strijd, en hoe dwaling omtrent het burgerlijk recht te qualificeeren als vergrijp in de uitoefening van kerkelijke betrekkingen ? Veel zonderlinger (tenzjj men daarbij aan eene leelijke insinuatie te denken hebbe) is wat het Classikaal bestuur er bijvoegt: „hierbij nu in aanmerking genomen hoe gemakkelijk de afschrijving van het Grootboek gemaakt werd, beginnen wij te begrijpen, waarom die haar zoo gemakkelijk gemaakt moest worden."

Tot de afschrijving is een besluit noodig van den Kerkeraad. De gemakkelijkmaking bestond in de bepaling, dat, wat het nemen van het besluit betreft, de Kerkeraad zich zou gedragen naar art. 9 Algemeen

7 OO ö

Reglement. Waar de Kerkeraad tot afschrijving besluit, is de aansprake-