Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lot de zaak betrekkelijk met de bovengenoemde inlichtingen, volgens art. 47 al. 3 Reglement Kerkelijk Opzicht en Tucht, aan uw bestuur." Onder „bovengenoemde inlichtingen" verstaat het de memorie, „die het in zijne vergadering van den l*ten Februari 1886 vaststelde op uw verzoek." Deze laatste bijvoeging heeft ons niet weinig verbaasd. Het Provinciaal kerkbestuur droeg op den 26*ten Januari al de stukken betrekkelijk eeue zaak, waarvan toen bij zijn college het onderzoek, voor zooveel het daar behoorde, was afgeloopen, aan de Synode over. Hoe kan het daarna aan het Classikaal bestuur, destijds doende wat des Kerkeraads was, verzocht hebben de nog altijd „noodige inlichtingen" te verschaffen, die het zelf niet noodig gehad had in te winnen, alvorens zijn oordeel te vormen en uit te spreken? Wat hiervan zij, hebben wij ter wederlegging van de grieven tegen de kerkeraadsbesluiten van 14 December 1885 dat factum tot leiddraad moeten nemen, omdat noch in het besluit van den 4'len Januari, noch in het schrijven van den 15'ien Maart iets. dat zweemt naar toelichting van het gegrond bevonden geruchtmakend bezwaar van ergerlijken aard, wordt aangetroffen.

In laatstgenoemd schrijven toch jamnierklaagt het Classikaal bestuur dat „van de zijde van de voorloopig geschorsten de weg bewandeld bleef van het niet eerbiedigen van de u bekende besluiten en in het algemeen van het niet erkennen van hef Classikaal bestuur, waar het niets dan zijn plicht deed. Het zijn dus verstokte boosdoeners. Doch in ernst, hoe kunnen geschorste Kerkeraadsleden door handelingen als zoodanig vernietigde besluiten handhaven of bevoegdelijk door het Classikaal bestuur gepleegde handelingen te niet doen, en wat doet het gebeurde na 14 December 1885 of althans na 4 Januari 1886 tot de in de Synodale uitspraak bedoelde zaak?

Nog veel minder kan het ons als een misdrijf worden aangerekend, dat onze bij de Synode ingediende schrifturen, „niets ter zake doen." Al had de Synode blijkens hare uitspraak er niet eenigszins anders over gedacht, hoe zou het gemis aan talent in onze verdediging kunnen gelden als het vergrijp, waartegen wij ons te verdedigen hebben? Wie wordt gestraft, omdat zijn advokaat niet fraaier heeft gepleit ?

Voorts polemiseert het Classikaal bestuur tegen stellingen, verdedigd in de Contra-memorie en in het opstel: „ de rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke Kerken." Toegegeven dat in de Contra-memorie of in dat opstel minder bondig geredeneerd wordt, de door een niet tot hen behoorend jurist, Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, in een lang na de voorloopige schorsing uitgegeven geschrift voorgedragen rechtsbeschouwmgen kunnen noch de voorloopige schorsing noch de ontzetting der geschorsten uit hunne kerkelijke bedieningen en ambten wettigen, al

Sluiten