Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik geloofd, dat het zoo zoet is, voor den godsdienst en voor de eer van Christus met eene kleine gemeente van broederen, schade en smaadheid te lijden, huizen, akkers, vrienden en het vadefland te verlaten. Indien bij het martelaarschap en bij het verlies des levens, de vreugde op die wijze met het leed vermeerdert, zoo valt het ook gemakkelijk voor den godsdienst te sterven." En die zelfde groote man verklaarde: „Wij astronomen zeggen, evenals het volk: de planeten staan stil; gaan terug; de zon gaat op; aan het einde des hemels komt zij te voorschijn, als een bruidegom uit zijne kamer enz. Wij zeggen dit met het volk, omdat het zich alzoo aan ons oog vertoont. En hoeveel te minder durven wij dan van de Schriften door God ingegeven, vorderen, dat zij hare woorden naaide leest der natuurkundigen afmeet, met onbehoorlijke en duistere spreekwijzen het eenvoudige volk verwarre en zich zeiven den weg tot haar veel verhevener doel versperre."

Newton, de grootste natuurkenner zegt: „Wij hebben Mozes, de Profeten en Apostelen, ja Jezus' woord zelfs. Indien wij hen niet willen gelooven, zijn wij evenmin te verontschuldigen als de Joden uit Jezus' tijd. Het geloof in de profeten is ' een zeker kenteeken der ware kerk. God heeft het laten bekend maken, dat in de laatste tijden de verstandige het achten, maar de goddelooze het niet verstaan zal. Goddelijk is het aanzien der profeten, waartoe Mozes en de Apostelen behooren. De hoofdsom van den godsdienst is deze: Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een evangelie verkondigden, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. ')" Martius, groot Botanicus, zeide in de Munchener Academie in 1865: „En vraagt gij mij wat ik dan als. de vrucht van een vijftig jarig, aan het natuuronderzoek gewijd leven heb opgemerkt? Onze tijd is te zeer geneigd aan te nemen, dat de mannen, welke zich met de natuurwetenschappen bezig houden, zouden afgeweken zijn van het geloof aan het onzichtbare ; dat zij geen gehoor geven aan de erkenning van het geestelijk fondament der dingen. En toch, wie kan en moet ze duidelijker

') Gal. 1 : 8.

Sluiten