is toegevoegd aan uw favorieten.

Vier tijdvragen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar door den wil van zijn meester. Niets is goed, tenzij het in Zijn zin goed is; alles is goed wat Hij wil.

Het gaat dus bij gelooven niet maar om een aanhangsel aan het goede leven. Het gaat om een ander leven, een leven, waarbij men ervan afziet zelf het goede te zoeken en zelf het goede te scheppen. Het gaat erom, het goede steeds weer te ontvangen. En het gaat om nog veel meer, n.1., om aan zich te laten werken. Want van het moment af, dat hij Christus werkelijk leert kennen, is een Christen een mensch, die zijn eigen leven niet meer in de hand heeft. Zijn centrum ligt buiten hem. Het overkomt hem steeds weer opnieuw, dat hij opgeroepen wordt tot dingen, die hij uit zichzelf nimmer gedaan zou hebben en dat hij geleid wordt tot beslissingen, die hij nimmer had willen nemen. Hij is een mensch, die zijn leven niet meer naar eigen goeddunken kan inrichten en die altijd rekenen moet met de interventie van zijn Heer.

Maar waarom dit afstand doen van onze rechten? Is het niet laf om de verantwoording van zich af te schuiven en de uiteindelijke beslissing over goed en kwaad aan een ander over te laten? Ja, laf zou het inderdaad zijn, wanneer men zichzelf daarbij uitschakelde, wanneer men voor de daad der gehoorzaamheid het laisser-aller van één of ander mystisch of fatalistisch geloof in de plaats zou stellen. Maar laf is het allerminst wanneer men verantwoording verstaat als antwoord geven, niet maar aan een echo van eigen stem, maar aan een stem van elders. Het is eenvoudig werkelijkheidszin, de macht te erkennen van één die U te sterk geworden is.

De Christen doet geen afstand om de negatieve reden, dat hij het goede niet heeft kunnen vinden, doch om de positieve reden, dat hij het goede buiten zichzelf bij Christus gevonden heeft. Zoolang hij op eigen houtje leeft, kan hij zich nog illusies maken. Hij is meestal gelijk het overgroote deel der menschheid een vrij fatsoenlijk burger, die niet moordt of steelt en slechts bij uitzondering bewust oneerlijk is, en dan nog tegenover douane- en belastingambtenaren. Vergelijkt hij zich met zijn medemenschen, en vooral met diegenen, waarover hij in krant, film en roman ingelicht wordt, dan moet hij zichzelf wel tot de betere helft van het menschdom rekenen. Maar heeft hij eenmaal iets van Christus verstaan, dan gaat zijn zelfvertrouwen opeens in stukken. Voor Hem ontdekt hij: