is toegevoegd aan uw favorieten.

Stemmen uit Noord-Amerika

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op zijn hoofd, klom naar boven, en zag niets als water; hij begon te schrijen , en riep : «Kameraden wij vergaan ! Ik had medelijden met hem, want ik geloof dat hij bang voor zijne ziel was; want ik heb wel eens met hem gesproken. Daar was wel overtuiging bij hem; hij had den Dominé wel eens booren prediken. Nu het schip van onderen lekte, dacht ieder: wij zouden zinken, en naar den mensch gesproken, leek het er wel naar. Ik vroeg aan mijn man wat bij er van dacht; die antwoordde dat hij niet wist wat er van te denken; hij zeide mij een versje op, dat ik niet recht heb onthouden; maar dit weet ik er nog van: «ofschoon wij op de groote zee moeten dobberen op de baren , — geen nood, onze Jezus gaat meè; die zal ons scheepje wel bewaren.» Dit was mij tot troost dat hij zoo wel gemoed er onder was, en bij al het geschreeuw en rumoer des volks was het mij goed. Ik dacht aan de schipbreuk van Paulus; en van alles, wat daar plaats had, hoe een ieder zijn leven zocht te redden, was hier nog niets gebeurd; ik nam mijne toevlucht tot Hem, die weleer de zee bestrafte, toen zijne discipelen in levensgevaar zich op dezelve bevonden; ik mocht pleiten op zijne toezegging: «al wat gij begeeren zult in mijnen Naam, dat zal ik doen». Verder mocht ik rusten en stil zijn: zoo als de Heere deed, zou het goed zijn. De laatste preek van D'. van Leeuwen was mij veel tot sterkte over de woorden: «Hierin zoude immers uwe sterkte en vertrouwen zijn, gij zoudt stille zijn» het ging dan ook zoo als het wilde, ik had niets te verliezen dan een lichaam der zonde, en daarvau ontbonden en met Christus te zijn is verre het beste. Ik kon op dat oogenblik gelooven dat mijn man en mijne kinderen mede naar den hemel gingen; maar de Heere wilde

3