Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar wiens optreden ik allesbehalve vriendschappelijk noemen kan, over mij en mijne uitlatingen heeft gelieven te publiceeren. Ik was van 7 Sept. 1884 tot 23 Oct. 1887 predikant te Bennebroek, en de Heer Köhler was destijds werkzaam aan de school van den Heer Wierdeman, een overtuigd voorstander van het openbaar onderwijs, tevens ouderling bij de Herv. Gemeente, en, ondanks al wat ons af en toe van elkander verschillen deed, tot het laatst toe een mjjner trouwe en eerlijke vrienden.

Nu heeft de Heer Köhler goedgevonden omtrent mijne verhouding tot zijn voormaligen patroon in „de Bode" van 16 Dec. 1904 eene mededeeling te doen, die ik beslist als onjuist heb moeten afwijzen. Hij liet mij daar, in een vorm, die op ieder den indruk van een authenthiek stuk moet maken, op eene vraag van den Heer Wierdeman, hoe ik stond tegenover het openbaar onderwijs, eene verklaring afleggen, die ik nooit aldus kan hebben afgelegd. Niet alleen dat de woorden, die mij daar in den mond gelegd worden, geheel en al tegen mijne manier van spreken indruischen, zij behelzen ook tastbare onwaarheid. Ik heb nooit van mijn leven van den kansel aldaar „de openbare school in haar volle eer hersteld." Ik heb nog al mijne preeken uit den Bennebroekschen tijd, en ik, die nooit improviseer, maar alles schrijf, en die vooral gewichtige mededeelingen altijd met zorg en nauwkeurig heb op schrift gebracht, heb geen zweem of schaduw van zulk eene verklaring gevonden, gelijk ik ook zeker weet nooit iets dergelijks gezegd te hebben.

Er was ook niet de allergeringste reden toe! Wat zou mijne goede Bennebroeksche gemeente, die my

Sluiten