is toegevoegd aan uw favorieten.

Ons huis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nageschreven. Wel weten we, dat Job tegen Elifaz den Themaniet klaagde: „Zoo ik wacht, het graf zal mijn lniis wezen" (XVII: 13), maar reeds de alles beslissende bijvoeging „eeuwig" huis ontbreekt hier, en het triomflied tegen Bildad, den Suhiet: „Ik zal uit mijn vleesch God aanschouwen!", terstond daarop volgend, toont voldingend, dat door Job aan geen eeuwig ruste in het graf is gedacht. Maar bovendien, het verband van 's Predikers eigen woord verbiedt deze uitlegging. „Gedenk aan uwen Schepper, dus immers luidt kort saamgevat zijn slotvermaning, vrees Hem die u in het gericht zal doen komen, want demensch gaat.... naar zijn graf, om daar' eeuwig te blijven? Maar immers dat ware ongerijmd. Eet en drinkt, want morgen sterven we, om nimmermeer te leven, dat heeft nog zin. Maar wat het beteekenen zou : Vreest God, want straks daalt ge voor eeuwig in de groeve, is een vraag die zich in het ongerijmde verliest. Daarbij komt dat de parallel met het slot van ons vorig hoofdstuk niet uit het oog mag verloren. Dat slot en ons hoofdstuk is gelijk van inhoud. Slechts wordt daar kort vooropgesteld wat ons hoofdstuk in den breede uitwerkt: „Verblijd u o, jongeling in uw jeugd en laat uw hart zich vermaken, maar weet dat God u om al deze dingen in het gericht zal laten komen, want de jeugd en de jongheid is ijdelheid". Staat daar dus achter het graf een gericht, dan mag ook hier het graf niet als eeuwige woonstede genomen worden. Zoo vindt ge het dan ook in wat aanstonds op 't eeuwig huis volgt: „Want God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, het zij goed het zij kwaad, (vs. 14.)" En wane nu niemand, dat dit gericht op de aardsche vergelding doelen zou. Dan toch zou ik hem van 's Predikers eigen lippen de betuiging tegen-