is toegevoegd aan uw favorieten.

Ons huis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van anders spreken die in den zomer gesloten huizen, die uitgestorven paleizen op onze grachten, dan van een zucht om de toch waarlijk niet enge en niet armelijke woning, zoodra de lentezon maar gekomen is, weêr te ontvlieden? Wilt ge, denk dan aan den kranke, die, toen hij de laatste maal het moede lijf langs onze straten sleepte, zoo dankbaar was, toen hij zijn huis maar bereikt had, en van wiens lippen ge op zijn ziekesponde nu dagelijks de klacht hoort: O, kon ik maar weêr uitgaan! En kondt ge nóg twijfelen, of de neiging, die ik u teekende, metterdaad een macht in het leven was, ik zou u met mij naar de grenzen onzer erve willen nemen, en u ten bewijze de steeds breeder karavane van reizigers willen toonen, die jaarlijks onze grenzen overschrijdt, om daar buiten te zoeken, wat hun het huis niet bood. — En toch, na het „ontvlieden" komt het „zoeken" weêr; de cirkelloop van dat streven eindigt niet, en haast zoudt ge dat zwerven in den vreemde lief krijgen, al was het slechts om dat zoet en zalig oogenblik te smaken, als ge eindelijk aan uw eigen huis weer aanklopt en God u het verblijden geeft met wie Hij voor u bewaarde. Ja dermate beheerscht „het huis" geheel ons menschelijk leven, dat ge schier alle streven en bemoeien, alle arbeid en zorg, alle vreugd en teleurstelling öf uit het zoeken of uit het ontvlieden van dat huis verklaren kunt; de teleurstelling ook van hen, die nog in hun stervensure den vrede misten, wijl naar het woord van den Psalmdichter (Ps. 49: 12) „hun binnenste gedachten waren, dat hier hun huizen eeuwig zouden zijn."

Hiermeê is de sleutel, die ons het leven verklaart, gevonden: Waf uw natuur eischt, kan deze wereld u