Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Schriftcritici die thans onder ons het woord hebben; bij allen, hetzij ze die hoofdmannen voorbijstreven, óf achteraan komen, 't gaat in hoofdzaak bij allen om de vraag: wat dunkt u van de Schriften

én van den Christus f Het antwoord op die vraag is beslissend voor hun

gevoelen aangaande Jezus, den zoon van Maria, die de Zoon van God is . . .

En temidden van het bruisen dier geweldige wateren stond in al de eeuwen der Kerk en staat nog, onverwrikt, de Rots. En op die Rots gebouwd doet de Gemeente des O. en des N. T. in blijde zekerheid van het ééne zelfde geloof, zonder ophouden, bij dag en bij nacht, over de baren der zee luide het loflied klinken voor Jezus

Christus, haren Heere:

De steen, dien door de tempelbouwers Verachtelijk was een plaats ontzegd,

Is, tot verbazing der beschouwers,

Van God ten hoofd des hoeks gelegd.

Dit werk is door Gods alvermogen,

Door 'sHeeren hand alleen geschied.

Het is een wonder in onz' oogen;

Wij zien het, maar doorgronden 'tniet.

Ps. 118 : 11.

II

Jezus Christus de Middelaar des N. Testaments, de waarheid der H. Schrift — deze leer der Schrift en confessie der Kerk is van groote, van de hoogste beteekenis voor de wetenschap der Christelijke Godgeleerdheid en de opleiding tot den dienst des Woords in de gemeente van Christus Jezus, onzen Heere.

Over de verschillende opvattingen van aard en taak der Godgeleerde wetenschap spreek ik thans niet. Hierop wil ik den nadruk leggen

nantheïstischer Monismus. Sie preist es darum an Spinoza, dasz er den Dualismus des Cartesius durchbrochen and dem Monismus Rsum verschaffi hat. Und ihre Jünger sprechen haufig von emer „Auflosung in eine höhere Einheit." In diesem Auflosungsprocesz werden denn auch consequent die gemeinsten Lehren des Christentums au/gelost. Es ware darum leicht aus den Quellen ein Buch über diese Theologie zu schreiben mit dem für seinen Inhalt sehr passenden Titel ^P™°za™d™T'•

Hoe Kuenen dacht en schrijven zou over de boeken der H. B., en hare uitlegging, was reeds duidelijk te zien in zijn Critices et Hernxwulices Zibr. N. F. Uneammta 1868. Zie o.a. | 107, waarin hij evenals de Tubingers en de volgelingen van Schleiermacher ook hen bestrijdt die ^ntcrpretationi grammaticae et historicae adjungendam esse statuunt theologicam. En i 361, waar hij verklaart, dat ook zelfs de analogia fidei van het N. T. niet altijd en overal gevolgd moet worden. „Satis enim constat" (!) „discrimen observari inter varios N. Foederis auctores ••••••

Suo' quique ingenio obsecuti religionem Chnstianam alu aliter explica .

Sluiten