is toegevoegd aan uw favorieten.

Jezus Christus de middelaar des Nieuwen Testaments, de waarheid der H. Schrift en de wetenschap der Christelijke Godgeleerdheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat alle zich dus noemende Theologie, die niet uitgaat van de H. Schrift als haar principium externum, kenbron, in de verzekerdheid des geloofs der Gemeente door het principium internum, het getuigenis des H. Geestes, in geen geval zich Christelijke Theologie mag noemen en in de Gemeente optreden. Zulke wetenschap der Godgeleerdheid is in strijd met de H. Schrift en daardoor ook met Jezus Christus, die de hoofdinhoud en de waarheid der Schrift is. De Christelijke Godgeleerdheid heeft zich verre te houden van de verleiding dezer valsche Theologie, haar in de kracht des H. Geestes te ontmaskeren en te bekampen, en de heerlijkheid der kennis Gods in het aangezicht van Jezus Christus uit de Schriften den menschen voor te stellen en in dankbare blijdschap te roemen.

'tls de eere van de Kerken der Reformatie, bizonder van de Gereformeerde, dat zij Kerk en Theologie hebben teruggeroepen en teruggeleid tot de bron der levende wateren, de H. Schriften, en het licht der souvereine genade Gods in den eenigen en algenoegzamen Middelaar weder op den kandelaar geplaatst, met verwerping van alle vonden en bedekselen van menschelijke wijsheid en vroomheid. De Ned. Geref. Belijdenis wijdt niet minder dan 6 artikelen aan de H. Schriften, waarin God, „nog klaarder en volkomener (dan door de schepping, onderhouding, en regeering der geheele wereld, het boek der natuur) Zich zeiven aan ons geeft te kennen: te weten, zooveel als ons van noode is in dit leven tot Zijne eer en de zaligheid der Zijnen." Art. 2. „Deze Heilige Schriftuur is vervat in twee boeken, des Ouden en des Nieuwen Testaments, welke zijn Canonieke boeken"; en van die boeken verklaren de Gereformeerde Kerken, dat „daar niet tegen valt te zeggen". Art. 4. De leer der Schrift is „zeer volmaakt en in alle manieren volkomen". Geen geschriften van menschen, hoe heilig zij geweest zijn, noch leeringen van scholen, noch besluiten van Conciliën en andere Kerkvergaderingen mag men gelijk stellen met de Goddelijke Schriftuur; „want alle menschen zijn uit zich zeiven leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve". De heldere en krachtige toepassing luidt dan ook aldus : „Daarom verwerpen wij van ganscher harte al wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt; gelijk ons de Apostelen geleerd hebben, zeggende: Beproeft de geesten, of zij uit God zijn. Idem: Zoo iemand tot u komt en deze leer niet medebrengt, ontvangt hem in uw huis niet". Art. 7.

Deze Belijdenis belijden al de leden, en de opzieners zijn geroepen, te waken, dat in geen enkel opzicht van deze Schriftleer en leer der Schrift worde afgeweken. Het Dordsche Formulier van onderteekening voor de dienaren des Woords en de professoren der H. Theologie