Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over subjectieve en objectieve predikers en Christenen, dat elders wel eens onrust verwekte, hoorde men in 't Graafschap niets. Een gezond geestelijk leven werd allerwegen in de gemeenten gekweekt. De buitengewone vijandschap der tegenstanders, welke zich,, nu men niet meer kon vervolgen, lucht gaf in hooghartige miskenning, en soms in kleine opstootjes,, waartoe men het gepeupel wist aan te zetten, deden de gemeenten meer goed dan kwaad. Zij hielden de scheiding tusschen de wereld en de uitgeleide kerken herkenbaar. De klove tusschen de Oud-Gereformeerde en de dusgenaamde „Groote Kerk" werd al gaandeweg grooter en de tegenstelling beslister. De eene leefde, in correspondentie met de Nëderlandsche kerken, uit de Gereformeerde beginselen; de andere kreeg uitsluitend leeraren en beginselen, zoo als ze aan de rationalistische Universiteiten in Duitschland gevormd werden. Zelfs in de taal, waarvan men zich bediende, spiegelden zich deze twee stroomingen af. De OudGereformeerden, schoon ze ook Duitsche predikers op hunne kansels toelieten, hielden over het geheel toch. meer aan de vanouds gebruikelijke Nederlandsche taal vast. De mannen van de Duitsche verlichting, ofschoon men, het volk ter wille, en voor zoo ver men het hebben kon, ook in 't Nederlandsch den dienst liet waarnemen, streden met alle kracht voor de Duitsche taal. De meeste jongere predikers verstonden ook het Nederlandsch niet genoeg, om in die

Sluiten