is toegevoegd aan uw favorieten.

Twee vragen des tijds

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dengenen, die niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft." Wie nu die inwendige ervaring bezit, is tevens van de waarheid van Jezus'leer overtuigd ; wie echter blind is voor die waarheid, wijl hem het zielsoog daarvoor ontbreekt, heeft ook het recht niet er een oordeel over te vellen. „Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzoo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden" (Hebreeën 11 vers 3).

Maar ik ga nog een stap verder en beweer, dat de bovenvermelde eigenschappen van eenvoud en beperking ook doen uitkomen, dat de leer van Christus van Goddelijken oorsprong is. Vraagstukken betreffende de natuur, het menschelijk kenvermogen en de staatswetenschap boezemen den menscli immers zooveel belang in en houden zijn geest zoozeer bezig, dat het zeer begrijpelijk is en voor de hand ligt, dat alle wijsgeeren ze op den voorgrond van hun stelsel plaatsen en er zelfs min of meer van uitgaan. Aan den anderen kant strijdt het rechtstreeks met dit karakter van den menscli en met zijne zucht naar kennis, wanneer in het „Boek der boeken" bijna nergens opzettelijk sprake is van de wetenschap der natuur, en Christus dezen drang naar wetenschap onbevredigd laat. Hieruit moet men toch wel besluiten, dat de leer van Jezus een bovenaardschen stempel op het voorhoofd draagt. Eene leer, die te midden van heidensche natuurvergoding en Joodsche eigengerechtigheid liefde, verlossing en genade predikt, is niet van de wereld, maar uit God.

Hier faalt alle scherpzinnigheid en haarkloverij van mensclien; wanneer wij op de verschijning van Christus evenals op de natuurverschijnsels de wet van oorzaak en gevolg toepassen en haar aan natuurlijke oorzaken toeschrijven, dan gevoelen wij spoedig het onmogelijke daarvan. Immers de komst van Christus staat geheel buiten het natuurlijke en menschelijke causaliteitsverband ; anders zou zijne leer moeten passen in de lijst van zijn tijd en eene voortzetting of aanvulling moeten wezen van voorafgaande of van opvolgende menschelijke leerstelsels. Dat zij zulks niet is, blijkt vooral uit het zuiver godsdienstig karakter van Christus' leer, uit haar volkomen vrij-zijn van menschelijke wijsheid en dus ook van menschelijke dwaling, en eindelijk daaruit dat zij uitsluitend van God en Goddelijke zaken handelt.