is toegevoegd aan uw favorieten.

Twee vragen des tijds

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

DE LEER DER NATUURKEUS.

Elke poging, om liet geestelijke voor te stellen en te verklaren als een product van het lichamelijke, van het dierlijke, moet wel schipbreuk lijden. Evenmin als de kracht een gewrocht is der stof, evenmin is de ziel des menschen door ontwikkeling van zijn dierlijk lichaam ontstaan. In de wiskunde staan bestaanbare en onbestaanbare getallen geheel op zich zelf; zij worden op geheel verschillende wijze gemeten, en zelfs het kleinste deel eener reëele grootheid kan niet imaginair wézen.

Het zwakste gedeelte van Darwin's werk „The descent of man" (de afstamming des menschen) schijnt dan ook wel dat gedeelte, waarin hij over de vermogens van den menschelijken geest handelt, en tracht te betoogen, dat er tusschen de zielvermogens van den mensch en die van het dier geen fondamenteel, geen wezenlijk, maar slechts een gradueel onderscheid is, dat b.v. het verschil in verstandelijke ontwikkeling tusschen een mensch en een aap minder groot is dan tusschen een aap j en een prik of negenoog, en dat derhalve de vermogens van den mensch zich zeer goed uit die van het dier ontwikkeld kuunen hebben. Opmerkelijk is echter Darwin's bekentenis, dat het evenmin mogelijk is om te verklaren, op welke wijze de laagste levende wezens in het bezit der zielvermogens zijn gekomen, als om te zeggen, hoe het leven zelf ontstaan is. Eknst Haeckel meent de moeilijkheid te boven te kunnen komen door aan te nemen, dat niet alleen de cellen, maar reeds de onderdeelen der cellen, aan welke onderdeelen hij den naam van plastidulen geeft, bezield zijn ; hiermede wordt echter de cel of eigenlijk reeds de plastidule tot een mensch verheven, en zijn dus al de dieren en planten reeds menschjes. In plaats van de woud- en waternymphen der Grieken verkrijgen we derhalve volgens Haeckel's eigen woorden de tallooze elementaire geesten of zielen der cellen.

Al het streven, al de moeite van de aanhangers der des-