is toegevoegd aan uw favorieten.

Twee vragen des tijds

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV.

BEZWAREN.

Aan het begin van het laatste hoofdstuk van Darwin's werk over den oorsprong der soorten zegt de schrijver in gullen eenvoud en openhartigheid: „dat er vele en ernstige bedenkingen kunnen worden ingebracht tegen de afstammingsleer, zooals zij gewijzigd is door variatie en natuurlijke selectie, ontken ik volstrekt niet". En in het slothoofdstuk van zijn boek over de afstamming des menschen en de sexueele teeltkeus heet het: „vele beschouwingen, die hier gemaakt werden, zijn in hooge mate denkbeeldig, en sommige zullen ongetwijfeld onjuist blijken".

Zoo is het ook inderdaad met de selectietheorie van den bescheiden Engelschman gegaan; hare geschiedenis is niet ongelijk aan die der nevelboltheorie van Immanuel Kant (1724—1804) en Piekre Simon Laplace (1749—1827). Beide hypothesen werden spoedig algemeen aangenomen, weldra als onomstootelijke waarheden beschouwd, en onder alle kringen verbreid. Hoe meer men echter de nevelboltheorie bestudeerde, en hoe nauwgezetter men den sterrenhemel onderzocht, des te meer moeilijkheden en bezwaren ontdekte men in de leer van Kant, zoodat zij thans in haar oorspronkelijken vorm nog door weinigen meer wordt verdedigd. Slechts daardoor, dat men haar op vele punten gewijzigd heeft, telt zij nog aanhangers.

Ook de selectietheorie, eerst als eene der grootste ontdekkingen op wetenschappelijk gebied algemeen toegejuicht en omhelsd, en bijna door alle beoefenaars der natuurlijke historie als eene nieuwe openbaring begroet, bleek bij nader inzien eveneens een aantal zwakke plaatsen te bezitten, en zelfs den aanhangers der descendentieleer talrijke en groote moeilijkheden op te leveren. Daarom is ook zij in den laatsten tijd veelszins veranderd voorgesteld, hoewel men gewoonlijk den naam van Darwinisme blijft behouden. Wanneer b.v. onze landgenoot Iiueo de Vries zegt, dat er zooveel

5