is toegevoegd aan uw favorieten.

Het juk der tweede hiërarchie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reglementaire strijd uit zou liebben en die op geestelijk erf begon.

En zóó liep en verliep het dan ook. Van de zij der Hiërarchie ontzag men niets. Er wierd politie bijgeroepen. Roekelooze reglementsverkrachting te baat genomen. Alle vondst van onbillijkheid en ongerechtigheid welkom geheeten. En ten slotte wierp ze de Gereformeerden zonder rechtsgevoel of zonder barmhartigheid, zooveel aan haar hing, uit onze Gereformeerde Kerken.

Maar ook de Kerkeraad putte alle hulpmiddelen uit. Hij betwistte het terrein voet voor voet. Doorliep het proces in al zijn stadiën. Toonde slag op slag met onwraakbare bewijzen het begane onrecht aan. Weerlegde met de stukken de valsche voorstelling, waaraan men ingang schonk. En dwong de Hiërarchie, om, wilde ze toch ontzetten en er Miszetten, dit te doen tegen alle recht en alle reden, zelfs van haar eigen maatstaf, in.

Dezen langen weg getroostte de Kerkeraad zich uit plichtbesef, opdat men, 11a het vallen van de eindbeslissing nimmermeer zou kunnen zeggen: „Dit zijpad en dien uitweg verzuimdet gij in te slaan ; daarlangs ga ik het nu beproeven !" maar dat het wiskunstig uitgemaakt zou zijn, dat er thans geen uitweg meer bleef. E11 het was dan ook, uitsluitend door deze drijfveer bewogen, dat de Kerkeraad, in het laatste stadium nog eigener beweging de belangrijke concessie deed, om zich officiëel tot een minlijk uiteengaan in fractiën bereid te verklaren, en artikel 41 prijs te geven, mits hem slechts het Koningschap van Jezus voortaan onverlet bleef. Een concessie, die door een woord van de conscientie ingeleid, ten slotte ook het zedelijk motief deed werken, en die, hoe enkele vrienden haar ook ontrieden, ons van achteren althans dit aanmerkelijke voordcel oplevert, dat ze de Synode dwong, openlijk voor haar heimelijke bedoeling uit te komen.

Nu toch staat het juist, dank zij dat „Laatste woord", vast, dat de Hierarchie van geen anderen modus vivendi hooren wil, dan die haar al het stoffelijk goed verpandt en haar wederpartij „naakt aan den dijk zet"; en dat voorts alle voorgeven der Irenisclien, alsof men zonder Art. 41 ons zou gespaard hebben, niets dan onbewust zelfbedrog was of opzettelijke misleiding.

Om te concludeeren M. H., er blijkt alzoo uit het gausch verloop van dezen strijd, dat door het Amsterdamsch Conflict eindelijk in vlam schoot al de brandstof, die jaren lang beiderzijds was opgehoopt. Dat