is toegevoegd aan uw favorieten.

Open Brief aan Professor Dr. A. Kuyper, in zake het ambt der overheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wetten van alle landen vorderden zijn dood. Zullen wij nu de tegenwoordige materialisten, naturalisten, pantheïsten, zullen wij de modernen en groningers op één lijn met Servet stellen? Immers neen! Ik spreek er niet van, dat elke dwaling voor God den mensch strafbaar maakt; dat de eene dwaling de andere voortbrengt, maar thans vragen wij wat voor de overheid moet blijken; wat volgens het bedoelde artikel de plicht der overheid is; mag, kan zij allen, die in hunne leerbegrippen dwalen, als hardnekkige godslasteraars beschouwen? Geen mensch denk ik, kan dit bij eenig nadenken, blijven beweren.

Verder, „de vaderen, zegt Gij, verstonden de gewraakte zinsnede in gelijken zin als Guido de Bres." Ik behoef thans niet te spreken over den geloofsgetuige, aan wien wij zooveel te danken hebben. Voor het tegenwoordige onderzoeken wij slechts: hoe de zinsnede in de geloofsbelijdenis der Kerk moet verstaan worden? Wij richten dus aan de Kerk onze vraag, en zelfs niet aan Guido de Bres, hoe hoog hij ook bij ons staat aangeschreven, en ofschoon hij de Geloofsbelijdenis heeft opgesteld. Dit zeg ik niet, alsof ik dacht, dat Guido de Bres in anderen zin als de vaderen of, liever de Kerk, de bedoelde zinsnede verstaan heeft, maar omdat wij hier alleen met de Belijdenis, als de Belijdenis der Kerk te doen hebben.

Eerst mag wel herinnerd worden, dat de Belijdenis met de meeste bedachtzaamheid door hen, die er toe bevoegd waren, is onderzocht. Op de Synode van Dordrecht in 1618 en 1619 is, in de honderd vier-en-veertigste sessie, besloten de Belijdenis, in de tegenwoordigheid der uitheemsche Theologen, te lezen en te onderzoeken. Hierbij werd bepaald, dat art. 31 en 32 (dus niet art. 36) niet behoefden onderzocht te worden, omdat deze artikelen de kerkelijke orde betreffen, die sommige uitheemsche ker-