Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Belijdenis voorgelezen en, in de 171ste tot de 173ste sessie, de authentieke uitgave vastgesteld. Ook is door de synode besloten, dat alle Bedienaren des Goddelijken Woords, rectoren, schoolmeesters, professoren, regenten en onderregenten der Theologische collegiën, en zelfs de krankbezoekers de Belijdenis zouden onderteekenen; terwijl in de acte van onderteekening verklaard werd, „dat alle artikelen en stukken der leer, in deze Belijdenis voorkomende, in alles overeenkomstig Gods Woord zijn."

Zie, waarde Professor, ook hier schaar ik mij liever aan de zijde der mannen, die zoo spraken en besloten, dan bij anderen.

Toch weegt het niet het zwaarste bij mij, dat de theologen, die in 1618 en 1619 te Dordrecht vergaderd waren, hoe uitnemend ook in kennis en Godzaligheid, de Belijdenis en daarmede de bewuste zinsnede zoo beslist aangenomen en verdedigd hebben; maar die vergadering sprak, ten aanhoore van geheel de wereld, het gevoelen uit van de gemeente des Heeren in Nederland. De leden dier vergadering waren van deze gemeente gezonden. Door deze gemeente is hun werk goedgekeurd, onderzocht, aangenomen; en niet slechts in het begin der zeventiende eeuw, maar tot het begin van onze tegenwoordige eeuw hebben allen, die tot deze gemeente behoorden, met de Belijdenis en geheel haar 368te artikel ingestemd. Soms werd er over andere zaken veel verschil openbaar, maar over de bedoelde zinsnede van art. 36 was nooit verschil. Gijsb. Voetius was lid der Synode te Dordrecht, en moet daarom geacht worden met die zinsnede volkomen te hebben ingestemd; maar ook Joh. Coccejus schreef: „dat de Vorsten niet moeten lijden, dat God en Christus gelasterd worde, gelijk Nebucadnesar beval, Daniël 3:29, dat niemand een lastering zoude zeggen van den God der gezellen Daniëls,

Sluiten