Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vel den gevangene bijgestaan had, waren vruchteloos en eindelijk werd hij veroordeeld om in de openbare vierschaar te Hulst eene onteerende schuldbelijdenis af te leggen, den rechters op de knieën vergiffenis te vragen en bovendien twintig Karolus-guldens boete te betalen.

Zoo strafte de vijand den man, die op hun eigen bevel voor de zaak van den gevangene moest uitkomen.

De Grave verheugde zich intusschen, dat de blijde dag, waarop hij de kroon des lijdens zou ontvangen, spoedig zou aanbreken.

Het was Zaterdag 24 Februari. De beul van Antwerpen was te Hulst aangekomen om het vonnis aan den gevangene te voltrekken, en met innerlijke vreugde bereidde de Grave zich voor ter dood. Nog was evenwel de stonde niet gekomen, dat hij in de ruste zou ingaan.

De burgemeester, Hubrecht Dulle, wenschte des Zondags een gastmaal te geven, en zoo werd de Zaterdag ingenomen met het maken van toebereidselen voor dit feest. In allerlei overdaad en liederlijkheid werd er door de ambtenaren en alle verdere genoodigden twee dagen feest gevierd — en de terechtstelling van den armen gevangene tot Dinsdag verschoven.

Eindelyk had de beslissende ure geslagen.

De Schout met zijne dienaren verscheen in de gevangenis om den martelaar naar het rechthuis te brengen. De Grave zag, dat de tijd van scheiden daar was. Hij sloot zijnen mede-gevangene in de armen en nam een roerend afscheid van hem.

Sluiten