is toegevoegd aan uw favorieten.

De Jeruzalemsche zondaar gezaligd of Goede tijding voor den grootste der zondaren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat zij de bekeering ontvingen bij de eerste prediking, en toen wedergeroepen worden om genade en vergeving aan te nemen, voor den moord aan den Zoon van God bedreven. „Gij hebt den Heilige en rechtvaardige gedood, gij hebt Hem verloochend en begeert, dat een moordenaar, u zou gegeven worden, en gij hebt den Vorst des Levens gedood". Let wel, hij valt weder op die menschen aan, welke de verraders en moordenaars des Heeren waren; gelijk gij ziet in de volgende kapittels Hand. 3: 14, 18, alsof hij bemerkte, dat zij de genade zouden ontgaan en vermaant hen weder tot bekeering, opdat' hunne zonden zouden uitgewischt worden, en weder, in het vierde kappittel beschuldigt hij hen op nieuw van dezen moord, vers 10, maar ook zegt hij hun, dat de zaligheid in geen andere is. Dan zet hij zichzelven gelijk een hemelsch lokvogel ook naast hen, om hun beter onder het net des Evangelies te vangen. Zeggende: „daar is onder den hemel geen andere naam gegeven, door wien wij kunnen zalig worden, vers 12. In het vijfde kapittel vindt gij hen, hem bespottende, omdat hij .voortging zaligheid in den naam van Jezus onder hen te prediken; maar hij zegt hen : dat diezelfde Jezus dien zij gedood en aan het kruis gehecht hadden, door God opgewekt was, en verhoogd tot een vorst en zaligmaker om Israël te geven bekeering en vergeving der zonden, vers 29—31 ; en herinnerde toen nog, ofschoon zij den Zaligmaker gedood en tot op dezen dag veracht hadden, dat het de taak 'zijner zending was, hen bekeering en vergeving der zonden te prediken.

Het is waar, nadat zij weder begonnen te moorden en toen niets dan moorden hen verzadigden, gingen de Apostelen die overal verstrooid waren, voort het woord Gods te prediken, en waren toch sommigen van hen zeer verlangend naar de bekeering der Joden; zoodat zij zelf in de verstrooiing zich alleen tot de Joden wenden. Ook hielden de Apostelen hun voornaam verblijf te Jeruzalem, in de hoop, dat zij hun net konden uitwerpen tot eene vangst van deze Jeruzalemsche zondaars. Ook Paulus en Barnabas, die de dienaars Gods voor de Heidenen waren, boden het Evangelie in