is toegevoegd aan uw favorieten.

De Jeruzalemsche zondaar gezaligd of Goede tijding voor den grootste der zondaren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren, en in de eerste plaats door Hem zochten behouden te worden.

Daar wij zoo verre gesproken hebben, van den rijkdom van Christus, en hoe open zijn hart is, om de Jeruzalemsche zondaren te omarmen, kan het toch niet ongepast zijn, dat ik bij wijze van waarschuwing u op eene zaak opmerkzaam maak, namelijk: dat deze genadetijd en dag bepaald is en wie deze palen overschrijd zal toch verloren gaan. Want gelijk een koning, die aan de opstandelingen eene aanbieding van pardon doet, op voorwaarde, dat zij voor een zekeren dag dit aanbod zouden aannemen, toch dezulke laat onthoofden of ophangen, die op dien bepaalden tijd er niet om verzocht hebben, zoo heeft Christus Jezus den zondaar een dag der zaligheid, een welaangenamen tijd bepaald. Maar hij die het langer uitstelt of langer in zijn opstand blijft volhouden, zal zonder twijfel zijne ziel verliezen. 2 Cor. 6:2; Hebr. 3: 13, 16, 17, 18,

19, kap. 47; Luk. 19: 41, 42.

Daar het zoo met de zaken gesteld is, zal het niet ongepast zijn, dienaangaande nog eenige bijzonderheden te behandelen.

Ten eerste. Dat die dag of bepaalde tijd, wanneer hij opgemerkt wordt door deze of geene meest altijd onopgemerkt voorbij gaat, voor hem, die er het meeste belang bij heeft, en dat het einde er van meest altijd onbekend blijft.

En daar heeft de rijkdom Gods dit oogmerk mede, dat niemand die geroepen wordt, de bekeering tot een anderen tijd mag uitstellen. Nu en heden is het eenige, dat in de H. Schrift het onze genaamd wordt. Psalm 50: 22; Ex. 12: 1; Heb. 3: 13, 16.

En dit toont ons het groote gevaar, dat diegene loopen, die wanneer ze genoodigd of overtuigd worden, de bekeering uitstellen tot een andere, gelijk zij denken tot een geschikteren tijd. Want velen die zoo blijven uitstellen, totdat de dag van Gods geduld en lankmoedigheid geeindigd is, ontvangen voor hunne gebeden en roepen om genade, niets dan spotten, en de God des hemels belacht hen, Pred. 1 : 20—30; Jes. 65: 12—16, kap. 66: 4; Jac. 7: 11 — 13.

Ten tweede. Men moet ook in aanmerking nemen, dat de dag van Gods genade voor sommige menschen vroeger begint en