Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deren af van. het huis van den Dominé, (tot aan Streefkerk, waarop de zwakste retireerde naar het raadhui^ zoo als men nog vele jaren daarna de sneden in de dear van het huis beeft kunnen zien, eindelijk geraakten de inwoners van Lekkerkerk weder naar 'hun dorp, en "hetj rumoer werd gestild, zonder dat de Dominé eenig leedwezen wedervoer; en zoo weet de Heere de Zijner uit alle gevaren te verlossen.

Inmiddels werd dien getrouwe knecht wel eens moedeloos, dat hij zoo lang het evangelium te vergeefs moest verkondigen; doch werd dan door zijne vrouw opgewekt door vele bijbelplaatsen, waardoor hij de moed weder opvatte, en bracht daar zoo omtrent zeven jaren door, zonder dat hij eenige vrucht op zijn werk zag. — Eindelijk werd zijne moedeloosheid grooter, zoodat hij tegen zijne vrouw wel eens zeide: „Kind, het schijnt mij toe dat de Heere geen Toehagen 'in mijn werk heeft, want daar is sedert dat ik hier gearbeid heb, ge ene'de minste blijk geweest, dat mijne prsecfiking eenige kracht gedaan heeft; daarom zoude het niet beter wezen, dat ik mijne bediening maar neder lag, en weder tot de Koren-negotie over ging?" Waarop zijne vrouw hem met veel bedaardheid antwoorde: „Wel, Man! zegt mij eens, in welke betrekking zijt gij hier ? immers als dienstknecht van iny Heere! wat is uw werk, anders als zülken hetevangelïupi 'te verkondigen ? doet dat maar naar de mate en gave zoo als de Heere u vjerleent1; is het ook uw werk als dienstknecht om zielen te bekeeren, of blijft dat nie* voor rekening van uw Meester?" Meer zulke woorden voerde zijne vrouw hem te gemoet in zijne moedeloosheid, waardoor hij- menigmaal beschaamd werd^ wederom de moed opvattende, en met nieuwe lust en ijver aan zijn werk ging; maar hij zeide wel eens tot zijne vrouw: „ik zoude hier nog wel dertig jaren willen staan, als er maar één éénige ziel tot God bekeerd werd." — Ondertusschen nam de vijandschap van zijne Gemeente al meer en meer toe, omdat.zij, die te voren «enigermate gewonnen schenen door zijne vriendelijkheid en onverdroten geduld, uit de Kerkenraad geraakten, en zijne bitterste vijanden daar in bleven.

Eindelijk kwam hij eens zeer bedroefd en moedeloos

Sluiten