is toegevoegd aan uw favorieten.

De merkwaardigste lotgevallen van het leven en sterven van den weleerwaarden en zaligen heer Petrus van der Velden, leeraar in de Hervormde Gemeente te Lekkerland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijnde ©en van zijne bies,te ka techi santen ; Lena verzocht aan Dominé hij zoude haar onderwegen eens aanspreken, hetwelk hij ook deed; hij vraagde aan haar : „hoe is toch uw naam?" zij antwoorde, „Christina" „Och!', zeide Dominé, „dat gij üat wierd, en eens Tdeel mogt krijgen aan Christus." Op deze wijze geraakte hij met haar aan 't spreken, en het behaagde God hetzelve zoo te zegenen, dat zij van dien tijd af werk met zich zelfs kreeg; en de Heere werkte zoo door in haar, dat zij niet alleen ruimte voor zich zelve kreeg in hare betrekking op een drie éénig verbonds God, maar de Heere bevestigde haar ook dn haar deel aan Christus, met zooveel geestelijk licht en kracht als 't maar aan wéinigen zijrter kinderen gebeurt; zjj was een voorbeeld voor alle vromen, die de Hieiere groot maaktie over haar voor zoo een© groote genade aan haar geschonken^ zij verkwikte zich in de liefde van Christus te ondervinden, zoo dat zij er onder vieirsmolt. — Het gebeurde eens dat zij buiten was, <en in het terug gaan naar het dorp met zeer veel licht werd ingeleid in hare betrekking op den drie éénigen verbonds God, hetgeen haar bij herhaling gegeven werd, om zich te vierbinden aan den Heere! en de Heere liet zich op eene wonderlijke wijze aan haar uit, dat zij als in verlegenheid eindelijk begon uitteroepen : „Heere! wat zal ik u toch vergelden voor al die weldaden?" en 'dan gaf zij zich weder aan Jezus over; maar het kwam haar voor als of zij daar niet mede voldeed, het was haar alsof de Heere iets van haar eischte om zooveel goedheden ieenigermate te vergelden; en dat duurde zoo dien ganschen weg over, tot dat er eindelijk eene vraag aan haar gemoed kwam: „Wel, wat zoudt gij wel voor mij over hebben?" ,,Heere!" zeide zij, „gij weet Sllie din|gen! ach, wat zou 'ik voor u te kostelijk hebben! wat Wilt gij dat ik doen zal?" — On der tusschen kwam zïj in het dorp, zonder dat haar werkzaamheden ophielden. Eindelijk kwam aan haar gemoed deze vraag: „zoudt gij 'dan mijn knecht wel willen oppassen, tot zijn dood toe, en zijne kinderen wel willjein opkweeken ?" Zij schrikt daarvan geweldig, doch zocht verzoening voor zulke ijdele gedachten, denkende dat het ingevingen des duivels waren; en toen bevond zij