Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigendom ter bescherming of exploitatie toebehoorencl. Eerst twee eeuwen later verleenden de koningen aan sommige steden of aan hunne leenheeren, het recht «Joden te houdenwat met het geven eener liooge geldsom overeenkwam, en vooral voor de Joden geen verbetering was. De kleine despootjes schoren nog onbarmhartiger dan de i^roote, terwijl soms de laatsten dit handwerk bleven aanhouden, maar het nu met hun onderhoorigen gezamenljjk gingen uitoefenen , zoodat de rampzalige Joden soms aan de stad, aan den graaf en aan den koning te gelijk belasting konden opbrengen. Het oudste geval van verleening van dit recht dateert van 1227. Zie Dr. A. Lewin, Juden in Freiburg, i. B. 1890, blz. 6.

14) Zie behalve in Graetz' laatste deel, ook vele mededeelingen omtrent de »Judenfrage" in tal van landen om en na het jaar 1830, bij Geiger , Nachgel. Schr. II. Anhang. Jüdische Geschichte von 1830 bis zur Gegenwart, blz. 246 verv.

15) Zie omtrent deze verachtelijke daden van Christus' Stedehouders, het Ermelo'sch Zendingsblad van H. W. Witteveen, 1872 blz. 172 verv.

16) Toen na de Julirevolutie in Frankrijk de laatste beperking der Joden van Staatswege werd opgeheven, sprak de minister Mérilhou de volgende, natuurlijk gaarne en vaak door de Israëlieten geciteerde woorden (o. a. in Geiger, Nachgel. Schr. II, blz. 249 te vinden): »in de publieke ambtsbedieningen tot welke de Joden geroepen zijn onder de banieren onzer onsterfelijke phalangen , in letteren, kunsten, wetenschappen en industrie, hebben zij in één kwart eeuw onder ons de edelste logenstraffing gegeven van al de lasteringen hunner onderdrukkers."

17) Men zie hier Dr. A. Kuyper, Liberalisten en Joden, 1878.

18) Zie hier het aangrijpende artikel van Stöcker uit de »KreuzZeitung," in Christlich-Sozial'2, blz. 477 verv. Heel zijn boek is wel een wederlegging van de woorden waarmede Fred. Huidekoper zijn «Judaism at Rome" begint: «Tegenwoordig oefenen de Joden geen merkbaren godsdienstigen invloed uit op de christelijke gemeenten onder welke zij wonen." Zie Works of Frederic Huidekoper7 I, blz. 1.

19) Veel van de tot dusver genoemde bizonderheden kan men vinden in de voorrede van E. Archinard, Israël et ses voisins Asiatiques. Etude d'histoire et d'archéologie, 1890. Zie onze aankondiging van dit werk in de «Theologische Studiën," 1890, blz. 391—403. — Volgens de telling van 1871 waren er onder de Berlijnsche Joden 71.3 procent werkgevers, onder de Protestanten 38.7 procent; op de 10,000 Joden 1132 directeuren en 259 directrices, op de 10,000 Protestanten resp. 509 en 188. Met den handel hielden zich 55 procent der Joden,

3*

Sluiten