Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om het te voren gezegde te bevestigen, eerst, dat de Heere zulks rechtstreeks te huis brengt op zijne navolgers, velen, zeg Ik u, gij, die u voorgeeft mijne Discipelen te zijn, die in mijne tegenwoordigheid gegeten en gedronken hebt. Ik weet wel dat de taal van Christus, somtijds tot zijne Discipelen gericht. niet zoo zeer voor hunne rekening was, als wel tot anderen betrekking had; maar hier is het zoo niet, in deze plaats is het onmiddellijk op sommigen van hen toepasselijk, Ik zeg tot u: gij zult buiten staan kloppen, zeggende: Heere! doe ons open, enz. en Ik zal zeggen: Ik ken u niet, van waar zijt gij ? dan zullen zij beginnen te zeggen: Hebben wij niet in uwe tegenwoordigheid, enz. dan zal Hij antwoorden: gaat weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid, gij, gij, gij zijt het die Ik bedoel.

Ik zegge u.

Het is slechts een volk dat belijdenis doet; wanneer het eene gevoelige en donderende predikatie hoort, dan zeggen zij: nu heeft de Leeraar den dronkaard, zweerder, leugenaar, gierigaard en overspeler recht bestraft; maar zij vergeten, dat deze zelfde zonden veel zwaarder begaan kunnen worden op eene Geestelijke en verborgene wijze; want daar is eene Geestelijke dronkenschap, een geestelijk overspel, en niemand is een leugenaar, die God zijnen Vader noemt, wanneer hü zulks niet is, of zich een Christen noemt en het niet is, en daarom mag mogelijk dit donderende en vreeselijk woord u meer raken als gij zelve wel denkt. Ik zegu, u belijders, en op u passen die woorden, Openb. 2: 9 en 3:9.

Sluiten