Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geestelijk leven 2). Treschows toenmalige opvattingen ten spijt is men er, dank zij de Amerikanen en Fransen, ook door de nieuwe vrijheidszucht gegrepen. Een eigen universiteit: met minder, dacht het toen jongste nationalisme, kon het niet. Roerende roes van vrijheid en kennisdorst: nog geen 9000 inwoners telde de stad op nog geen 900.000 in ihet hele land 3). Treschow, even bezield als nuchter, acht echter het voorbereidend onderwijs daarvoor ontoereikend en in '97 begeeft hij zich naar Kopenhagen, 's Rijks hoofdstad toen nog, naar men weet, om van de koning de hervorming daarvan gedaan te krijgen.

Het is zijn eerste kennismaking met de politiek: geen hoopgevende, zoals gewoonlijk. Men belooft hem gouden bergen, maar, teruggekeerd, blijken zijn handen leeg. En ook dit ongeluk kwam niet alleen. Zijn tweede huwelijk, ondoordacht aangegaan, blijkt steeds meer het omgekeerde van een succes, omdat succes voor zijn vrouw alles, voor hem weinig en zeker niets wezenlijks betekende: het is haar wil, als hij, in 1790, toch nog dr theologiae wordt op een Dissertatio de anthropomorphismo.

Met de nieuwe eeuw breken betere dagen voor hem aan: in 1802 scheidden zij in gemeen goedvinden, jammer voor haar, want dan begint ook het natuurlijk succes dat bij 's mans begaafdheid, geflankeerd enerzijds door rustig zelfvertrouwen en door een normale dosis eerzucht anderzijds niet uitblijven kon: het volgend jaar wordt hij hoogleraar in de filosofie aan de Universiteit van Kopenhagen, waar wij hem in 1807 tijdens zijn rectoraat al leerden kennen. Met zijn derde vrouw is hij dan reeds vijf jaar verbonden in een gelukkig huwelijk, dat pas omstreeks 1830 door haar dood zou worden ontbonden.

Typerend voor zijn vitaliteit is, dat hij in 1813, 62 jaar oud, nog een nieuwe loopbaan begon. Zijn eigen vaderland, nu onder Zweden, riep hem als rector aan wat nu toch zijn eigen Universiteit zou worden: 2 September, op de dag af zes jaar na het bombardement van Kopenhagen, werd zij geopend.

2) cf. de herinneringen van Conradine Dunker, Samle Dage.

3) cf. Edv. Buil, Grunnriss av Norges historie bl. 68/9. Bij de eerste volkstelling (1769) had Noorwegen 724.500 inwoners, tegen het einde der eeuw: 883.000; de hoofdstad, in eerstgenoemd jaar; 7000, vandaar mijn schatting van „nog geen 9000".

Sluiten