is toegevoegd aan uw favorieten.

Feestbundel aangeboden door vrienden en leerlingen aan Prof. Dr. H.J. Pos ter gelegenheid van het bereiken van de 50-jarige leeftijd op 11 Juli 1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•de onvermijdelijkheid van het ontkiemen, bloeien en vergaan: ,,'s mensen ontaarding is een natuurlijk gevolg van hetzelfde middel, waardoor hij tot volmaaktheid stijgt". Zoals alles bij hem moet ook de mens ten onder gaan om zichzelf te worden: Toynbee's „withdrawal-and-return", als men wil. En als bij Toynbee is ook bij Treschow een psychische kracht de drijfveer van dat proces: wat Condorcet .de vooruitgang genoemd had, zegt hij daar ook, heel die techniek — het kon wel eens blijken een loden blok aan onze vleugels te zijn. Die kracht tot het uiteindelijk goede heeft hij op het laatst een naam gegeven, ontleend aan Blumenbach. Hij noemt het de nisus formativus. Deze is het die de monade richt op zijn idee, die in en uit God is, van waaruit alles begint en waartoe alles terugkeert. Het is dezelfde kracht, waarover Goethe in zijn evolutionistische natuurleer zou filosoferen — dezelfde ook, waaraan Bergson als de tussenliggende positivistische 19de eeuw omstreeks de nieuwe eeuwwende is uitgebloeid, de naam élan vitdl zou geven? Ja en neen, lijkt het. Het tussenstuk zou niet om niet geweest zijn.

Er is over deze filosoof op zijn eenzame post in het Noorden meer te zeggen. De geschiedenis vergeet meer dan zij onthoudt — er zou in theorie een ongehoord belangwekkend boek te schrijven zijn over wat eens in dat collectief geheugen, dat we historie noemen, aanwezig geweest, maar er weer uit verdwenen is — doch dat is een hoofdstuk op zichzelf. Waar het hier om gaat is, zoals ik al aanduidde: hoe heeft zich nu die overgang van de 18de naar de 19de eeuw in Treschow voltrokken, want dat zijn denkbeelden tot beide behoren, behoeft na de uiteenzetting daarvan, toch wel geen betoog meer.

Plaatsgebrek is het enige niet, dat mij belet, dit probleem in zijn volle omvang te stellen. Het is ook de waarlijk buitengewone moeilijkheid ervan. Het overgangsprobleem is het gewichtigste, maar daarom ook het bezwaarlijkste dat de cultuurhistoricus kent. Ik zal mij daarom bepalen, tot wat mij de kern ervan lijkt: Treschows vooruitgangsbegrip en de overgang bij hem van dat begrip in zijn 18de eeuwse naar zijn 19de eeuwse gedaante. De overgang is moeilijk te vatten. Het is niet zo, dat Treschow bijv. het 18de eeuwse optimisme nog voor de