Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het parlementair stelsel, zooals zich dat in Europa langzamerhand ontwikkeld heeft, ontleent zijn waarde niet in de laatste plaats aan de verantwoordelijkheid, die rust zoowel op de ministers in een zittend kabinet als op degenen die zich geroepen gevoelen het beleid der regeering te bestrijden.

De ministerieele verantwoordelijkheid is zeker een machtsmiddel in de hand der volksvertegenwoordiging, maar zij is stellig een niet minder beteekenisvol wapen in de hand van ministers tegenover het oppositioneele deel der volksvertegenwoordiging. Die volksvertegenwoordiging, die oppositie, kan een kabinet, met welks beleid niet wordt ingestemd, ten val brengen, tot heengaan nopen; maar ook aan een kabinet staat het vrij om tegenover een onafgebroken onredelijke critiek zich terug te trekken. In beide gevallen wordt de oppositie gedwongen het roer in handen te nemen, de verantwoordelijkheid voor het bewind over te nemen.

Dat dit gevoel van verantwoordelijkheid ook in oude parlementen wel eens faalt, is bekend. Ook daar komt onverantwoordelijke oppositie voor; ook daar gebeurt het, dat men wel ruiten stuk slaat, doch onmachtig blijkt om het venster weer in goeden staat te brengen. Doch dit alles doet niet af aan den regel, dat het typische kenmerk van het volgroeide parlementaire stelsel gezocht moet worden in de rolverwisseling van kabinet en oppositie, zoodra de laatste over het eerste de overhand verkrijgt of zij met haar critiek de grenzen van het redelijke overschrijdt.

Nu is het intusschen overduidelijk, dat die toestand in de verhoudingen tusschen Regeering en Volksraad

Sluiten