Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het verbruikscrediet zag en ongemoeid liet het leenen voor productieve doeleinden.

Een absoluut renteverbod, dat op principieele gronden alle rente verwerpelijk achtte, misvormde het economisch leven en riep allerhande gedrochtelijke instituten in het leven. De opheffing van dat verbod beduidt een sterken vooruitgang.

Merkwaardig is de verklaring van Strieder1) over de redenen, die dit verbod ten val brachten. Hij erkent, dat de woekerleer en de daarmee gepaard gaande theorie van het justum pretium de ontwikkeling van den kapitalistischen geest hebben tegengehouden. Die tegenstand nu werd gebroken, doordien kerk en staat, de beide machten, welke theoretisch alle rente veroordeelden, in de practijk den kapitalistischen koopman niet konden missen. Eene wonderlijke speling der historie noemt hij het, dat niets de verbreiding van de krediet-huishouding van het kapitalisme meer heeft bevorderd dan het Pausdom, het machtigste instituut, dat zich in dogmatische uitspraken onverzoenlijk tegen de rente keerde.

Door haar toenemende administratie en wassende wereldmacht-politiek werd de Roomsche curie al meer gedwongen tot een nauwsluitend systeem van belastingen. Voor de verzending van deze belastingen, voor voorschotten op deze heffingen konden de Paus en de geestelijken den kapitalistischen koopman van de Italiaansche steden niet missen. Hiertoe treden zij met den handelsstand in contact, terwijl zij zich eveneens tot dezen wenden om het geld in deposito te geven en rentegevend te beleggen.

Een gelijke ontwikkelingsgang valt, volgens Strieder, bij den staat te ontwaren. De uitbreiding van de staatstaak, de veelvuldige oorlogen wekten eene sterke behoefte aan geld. Zoo-

!) In zijn verhandeling Kirche, Staat und Frühkapitali sinus, opgenomen in Studiën zur Geschichte kapitalistisch er Organisationsformen, München en Leipzig, 1914, bldz. 53 en vlg.

Sluiten