Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Hoofdcommissie benoemd. Met dankbaarheid mag ik getuigen, dat broederlijke samenwerking en onderlinge waardeering in ruime mate in hare vergaderingen worden getoond.

Ik meen alzoo na ernstig onderzoek thans, aan het einde eener halve eeuw, met dank aan G-od den Heere, die ons leidde, en onder Uw aller instemming te mogen verklaren, dat de Vereeniging de beginselen, door haren stichter in art. 1 van het Reglement neergelegd, ofschoon ze geformuleerd zijn in eenen tijd, die zoo veelzins van de latere tijden verschilde, met trouwe nauwgezetheid heeft beleden en toegepast.

Ik kom thans tot de beantwoording van de tweede vraag, die ik stelde: Wat is de vrucht van den vijftig jarigen arbeid der Vereeniging voor Christelijk-Nationaal Schoolonderwijs, in verband met de taak, die zij aanvaardde.

Het doel der Vereeniging was en is de bevordering van het Christelijk-Nationaal Schoolonderwijs. De nadere bepaling lager schoolonderwijs ontbreekt: de Vereeniging zou dus ook op het terrein van het middelbaar en het voorbereidend hooger onderwijs werkzaam geweest kunnen zijn. Daar is inderdaad in het begin ook wel aan gedacht. Toen de opleiding van onderwijzers besproken werd, bleek men het algemeen wenschelijk te achten, geschikte jongelieden een of meer jaren ter verdere bekwaming eene Christelijke inrichting in het buitenland te doen bezoeken. Dit wordt, zoo lees ik verder in de notulen, vooral wenschelijk geoordeeld in het belang van het middelbaar onderwijs; doch wegens de beperktheid harer middelen en de behoefte aan onderwijzers voor de gewone lagere school, kan daaraan door de Vereeniging vooralsnog niet gedacht worden. Waarschijnlijk washet denkbeeld afkomstig van Groen, die de vergadering praesideerde. Wat hij onder middelbaar onderwijs verstond, is niet met zekerheid te zeggen: het was in 1860, eenige jaren vóór de wet op het middelbaar onderwijs tot stand kwam. Wanneer ik let op hetgeen Groen bij de beraadslaging over die wet in

Sluiten