Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26

voor zee. Het gevaar is echter niet in de overdracht gelegen, want die gebruikt de dichter ook, wanneer hij zegt dat de aarde merita maternum nomen adepta est.; maar het bestaat daarin, dat men zijne ziel religione turjn bezoedelt (660).

Het ligt niet dadelijk voor de hand te vatten, waarom de dichter deze sterke uitdrukking hier bezigt. Voor mij is dit woord eene bevestiging van mijne opvatting, dat religio bij hem verstaan moet worden als SsitrfèxifAovIx. Uit de beschrijving die hij geeft van den cultus der Magna Mater, blijkt dat deze geheel en bovenal gegrond is op bange vrees. De dichter duidt dat uitdrukkelijk aan, waar hij in vs. 609 zegt: horrijice fertur divinae matris imago; in vs. 623 „impia pectora volgi coaterrere metu quae possint numini' divae-, in vs. 632 terrificas capitum quatientes nurnine cristas; daarbij merk ik op dat de woorden horrijice, conterrere metu en terrificas telkens staan op de eerste plaats in het vers en den nadruk ontvangen. De vereering van de aarde als de Magna Mater leidt dus tot vrees voor hare daemonische macht.

Ten slotte kom ik op wat voor mij een tegenproef is. In het prachtige prooemium van het eerste boek, inderdaad van het geheele gedicht, wordt de alma Venus aangeroepen, als de hominum divomque voluptas (vs. 1 en 2); te, dea, te fugiunt venti, te nubïla caeli zegt de dichter vs. 5; zij bestuurt de geheele natuur: quoniam rerurn naturam sola gubernas (vs. 21).

Met verwondering heeft men zich steeds afgevraagd, hoe een dichter, die zich in zijn werk zulk eenen bitteren vijand der religio betoont, eene godin op deze wijze kan aanspreken en verheerlijken. Terwijl steeds het eerste en het laatste in de bestrijding van de religio is, dat zij aan de goden eenen alvermogenden invloed op de natuur en het lot der menschen toeschrijft, wordt hier die almachtige werking der godin luide geroemd. Thans wordt niet, als aan het einde van de beschrijving van den cultus der Magna Mater, gezegd, dat men slechts in overdrachtelijken zin van de liefde als van eene godin kan spreken; de dichter waarschuwt hier niet voor bezoedeling der ziel door turpis religio.

Sluiten