Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teles, een Varro, een Plinius voor, zoo ge kunt, ontbloot van de hulpmiddelen eener betrouwbare traditie! Trouwens het Idoer zelf, waarmede men afschriften vervaardigde, bracht betrouwbaarheid mede: dat (doel1 immers bestond alleen hierin, dat men in de plaats van één handschrift er meerdere gelijke wilde hebben en dat alweer niet, opdat ze in latere eeuwen als getuigen zouden dienen, zoo dat men eene bepaalde strekking voor oogen had, dit of dat wilde bewerken, in dezen of genen zin eenen indruk wildb veroorzaken, maar eenvoudig opdat ze door tijdgenooten, door menschen van ongeveer dezelfde geestesontwikkeling zouden worden gelezen. *) Wat dit punt betreft is er geen onderscheid tusschen de tijden vóór en de eeuwen na de boekdrukkunst; het doel was hetzelfde, het vermenigvuldigen van één en hetzelfde exemplaar en dat zoo getrouw mogelijk; alleen de middelen verschilden en ook ten dezen opzichte, wat dus

2o. de ^wijze, waarop de schriftelijke overlevering tot stand kwam, aangaat, is hare betrouwbaarheid niet gering, 't Zij mij vergund een paar punten slechts voor uwe aandacht te brengen.

Uitzondering was het in de oudheid, dat iemand een boek, dat hij wenschte te bezitten, zelf afschreef van een ander exemplaar; regel was, dat de lezer zich een boek kocht bij den boekhandelaar. 2) De schrijver namelijk gaf zijn handschrift evenals wij aan den uitgever en deze liet door geoefende schrijvers de afschriften vervaardigen, die, wanneer de geheele oplage gereed was, één voor één werden gecorrigeerd en dan eerst de wereld ingingen.3) Hoe groot nu het vertrouwen was, dat de schrijver zelf in de afschriften stelde, blijkt wel het best hieruit, dat de copie of, om den ouden term te gebruiken, het autographon, gewoonlijk in de prullemand ging, terwijl de schrijver zelf een afschrift als handexemplaar gebruikte.4) Het belang, dat wij in onze gedachten plegen te hechten aan het eigenhandig schrift van een ouden

*) Madvig, Advers. critic. vol. I pag. 11: „obliviscuntur philologi (homines, librarios) illos oodices descripsisse, quibus ipsi et alii eiusdem temporis et fere scientiae homines in legendo uterentur, nobis codices testiuin loco esse, quibus utamur in contextus scriptorum ad nostrum usum constituendo."

2) Birt, Das antike Buchwesen Berlin Hertz 1882, pag. 346 en 433; Wattenlbaoh, Das Schriltwesen im Mittelalter 2te Aufl. Leipzig Hirzel 1875, pag. 448 vlg..

3) Birt, pag. 355.

41 Birt, pag. 349.

Sluiten